Verbonden Léven

Bijbel 1

Wil je graag het evangeliecommentaar dagelijks in je mailbox? Schrijf je dan in op onze dagelijkse nieuwsbrief onderaan de homepagina.

Woensdag (10/08/2022)
Joh.12,24-26

Amen, amen, ik zeg jullie:
Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, dan blijft hij alleen;
maar als hij sterft, draagt hij overvloedig vrucht.
Wie zijn eigen leven liefheeft, verliest het;
wie zijn eigen leven in deze wereld loslaat,
behoudt het voor het volle leven.
Als iemand mij dienstbaar wil zijn,
moet hij mij volgen, en waar ik ben, zal ook mijn dienaar zijn.
En als iemand mij dienstbaar is, zal de Vader hem eren.

We hebben de neiging om de gelijkenis van de graankorrel als een bijna onmenselijke opgave op te vatten – omdat we weten hoe het Jezus vergaan is. Maar de metafoor van de graankorrel is veelzijdiger. Biologen bijvoorbeeld zullen betwijfelen dat de graankorrel in de grond ‘sterft’. Wat zich in de grond afspeelt, is een proces van ontkiemen en groeien. Het is in wezen een verhaal van leven, door de schijn van de dood heen.
Dit beeld kan me wél inspireren – en hóe! G-d die zich met mij verbonden heeft, zich in mijn binnenste verweven heeft. Hij wil in mij groeien.
Ik ben geneigd om die kwetsbare goddelijke kern in mij veilig op te bergen achter stevige verdedigingsmuurtjes en/of achter m’n ego. Pas als dat ego mag sterven, als de muurtjes afgebroken worden, kan G-d zich naar buiten worstelen, naar boven, naar het licht.
Het zaad weet immers: het gaat er niet om dat mijn buitenkant behouden blijft. Het gaat erom dat dat wat er in mij zit, tot leven komt, groeit en tot volwassenheid komt. En ja, dat kost me inderdaad mijn buitenkant.

Dinsdag (9/08/2022)
Mt.18,1-5.10.12-14

Op dat ogenblik kwamen de leerlingen bij Jezus en vroegen hem: “Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk der hemelen?” Jezus riep een kindje bij zich, zette het in hun midden en zei: “Amen, ik zeg jullie: Als je je niet omkeert en wordt als de kindjes, zul je het koninkrijk der hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf zo gering maakt als dit kindje, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen, en wie één zo’n kindje in zich opneemt in mijn naam, neemt mij in zich op.”
Let op dat je niet één van deze kleinen minacht. Want ik zeg jullie: Hun engelen in de hemelen aanschouwen voortdurend het Gelaat van mijn Vader in de hemelen.

Wat dunkt jullie? Als iemand honderd schapen heeft en één ervan is afgedwaald, zal hij dan niet de negenennegentig op de bergen laten en op zoek gaan naar het afgedwaalde?
En als hij het vindt – amen, ik zeg jullie – dan verblijdt hij zich over dan ene meer dan over de negenennegentig die niet afdwaalden. Zo is het de bedoeling van jullie Vader in de hemelen, dat niet één van deze kleinen verloren gaat.

Als we bij dit tafereeltje alleen maar vertederd raken, dan zijn er twee dingen die we mis begrijpen.
Het eerste versterkt nog het tweede, nl. dat wij nu een veel romantischere kijk op kinderen hebben dan in Jezus’ tijd. Kinderen waren ‘jongen’ die maar waarde kregen als ze iets konden produceren, dus zo rond een jaar of 7. Daarvoor waren ze betekenisloos, ongeacht en ook amper gemist als ze stierven. Onze hoge (vandaag neigend naar ophemeling?) waardering van onze kinderen stamt pas uit de 18de eeuw.
Ten tweede is het eigenlijk helemaal niet zo ‘cosy’ wat Jezus hier voorstelt. Wat voor ideaal bepleit hij toch als hij het kleine, ongeachte, ongeziene als voorbeeld stelt?! Dat lijkt toch niet ‘menselijk’? Nee, maar hij bepleit dan ook geen mens-dienst, maar een G-dsdienst! En waar G-d G-d mag zijn, krijgen mensen elk hun eigen gelijkwaardigheid, niemand groter of kleiner dan de ander – maar daar moet ik dus wel voor van mijn hoge eigendunk af …

Maandag (8/08/2022)
Mt.17,22-27

Toen ze rondtrokken in Galilea, zei Jezus tegen hen: “De mensenzoon zal overgeleverd worden in de handen van de mensen en ze zullen hem doden en op de derde dag zal hij opstaan.” Ze werden diep bedroefd.
Toen ze in Kafarnaüm waren, kwamen de inners van de tempelbelasting naar Petrus [een in de Joodse wet bepaalde belasting van 2 daglonen per jaar] en vroegen: “Betaalt jullie meester de tempelbelasting?” “Jawel!”, zei Petrus.
En toen hij thuis kwam, was Jezus hem voor met de vraag: “Wat denk je, Simon: de koningen van de wereld, van wie ontvangen zij belastingen, van hun zonen of van de vreemden?” Petrus antwoordde: “Van de vreemden.” Jezus zei: “Dan zijn de zonen vrij. Maar om hen geen aanstoot te geven: Ga naar het meer, werp een vishaak uit, neem de eerste vis die bovenkomt, open zijn bek en je zult een stater [munt van 4 daglonen] vinden. Neem die en betaal ermee voor mij en jou.”

De openingszin van dit stukje Evangelie lijkt wat los te staan van het vervolg. Maar dat is slechts schijn! Bij de vraag naar het betalen van de religieuze belasting zat er natuurlijk een addertje onder het gras. Dat Jezus er nogal onconventionele opvattingen op nahield als het ging over de naleving van sommige religieuze gebruiken, was ondertussen al meer dan duidelijk. Zou hij ook de vloer aanvegen – en in hun ogen de mensen opruien – met de tempelbelasting; met hun inkomen!?
Blijkbaar betaalt Jezus die belasting wél, maar heeft hij er toch zo zijn bedenkingen bij. Het lijkt toch niet zomaar te behoren bij wat hij verstaat onder ‘de vrijheid van de kinderen Gods’. In zijn ‘oplossing’, dat merkwaardige gebeuren met de vis, lijkt hij te willen zeggen: Ach, maak je toch niet zo druk over die centen. G-d zal er wel in voorzien – zoals eens, en steeds, ‘op de berg Moria’.
Helaas voor Jezus – en christenen vandaag? – zijn ‘religieuze’ mensen, niet automatisch ook ‘vertrouwende’ mensen. Wie de vinger op déze wonde leg, weet wat hem te wachten staat …

Zondag (7/08/2022) – 19de zondag door het jaar C
Lc.12,32-48

Wees niet bang, kleine kudde, want het is de innige wens van de Vader jullie het koninkrijk te geven.
Verkoop wat je bezit, geef in gulle barmhartigheid, maak beurzen die niet vergaan: een schat in de hemel die niet opraakt en waar geen dief aan kan of geen mot hem aantast. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.”
“Laat jullie lendenen omgord zijn [klaar voor het werk] en jullie lampen brandend [waakzaam op wat komt]. Wees als mensen die hun heer, die terugkomt van een feest, verwachten en onmiddellijk open doen wanneer hij aanklopt.
Gezegend de dienaars die de heer wakende vindt wanneer hij thuiskomt. Zeker, zeg ik jullie: Híj zal zich omgorden, hen aan tafel uitnodigen en hen bedienen. Ja, zelfs als hij pas komt midden in de nacht, of misschien pas aan het einde van de nacht, gezegend de dienaars die hij zó vindt.”
“Maar weet goed: Als de heer des huizes geweten had op welk uur de dief kwam, dan had hij wel gewaakt en niet toegelaten dat er ingebroken werd in zijn huis. Wees ook jullie dus bereid [klaargemaakt én bereidwillig], want je weet niet op welk uur de mensenzoon komt.”

Petrus vroeg hem nu: “Heer, bedoel je deze gelijkenis voor ons alleen, of ook voor allen?”
De Heer antwoordde: “Wie zou die trouwe en verstandige huismeester zijn die de heer zal aanstellen over zijn personeel en die op de gepaste tijd hen het eten geeft dat hen toekomt? Gezegend de dienaar die zó bezig is wanneer de heer thuiskomt. Waarlijk, ik zeg jullie dat hij hem zal aanstellen over alles wat hij bezit.
Maar als die dienaar in zijn hart zegt: mijn heer neemt er de tijd van, en hij begint de knechten en meiden te slaan en eet en drinkt tot hij dronken wordt, dan zal de heer van die dienaar komen op een dag dat hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent; hij zal worden verwijderd van zijn heer en ondergaan het lot van de ontrouwen.
De dienaar die de wil van zijn heer heeft leren kennen, maar zich daar niet heeft op voorbereid en [die wil] gedaan, zal met vele slagen geslagen worden. Als hij die echter niet heeft leren kennen en heeft gedaan wat straf verdient, zal hij met weinig slagen geslagen worden.
Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden gevraagd; en aan wie veel is toevertrouwd, van hem zal veel worden geëist.”

De opdrachten die Jezus aan zijn leerlingen geeft, lijken vaak behoorlijk veeleisend. Laten we eerlijk zijn: ze zíjn veeleisend. Toch zegt Jezus heel bemoedigend: “Wees niet bang!” En dan voegt hij er iets aan toe wat we wellicht te vaak vergeten: G-d wíl ons zijn ‘koninkrijk’ geven! Hij verlangt niet liever dan dat die ‘hemel op aarde’ ook werkelijkheid kan worden. Hij staat er mee klaar om het ons zomaar ‘om niet’ te schenken.
Maar dan is de vraag natuurlijk – zoals Jezus het in tweede parabeltje vertelt – of ik er wel toe ‘bereid’ ben: ben ik er klaar voor – heb ik mij er klaar voor gemaakt? Dat G-d met zijn gave klaar staat, kan niet betekenen dat ik dan maar op mijn lauweren ga rusten en niets meer hoef te doen. Integendeel: Het vraagt van mij een actieve verantwoordelijkheid, voor mezelf, mijn medemensen en onze wereld. Er wordt mij immers veel in handen gegeven. Dat kan maar uitbloeien tot ‘G-ds koninkrijk’ als ik er ook veel mee doe!