Verbonden Léven

Dinsdag (21/07/2020)

Mt. 12,46-50

Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken.
Iemand kwam Hem nu zeggen: 'Je moeder en broeders staan daar buiten en willen Je spreken.'
Maar hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen: 'Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?'
En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: 'Ziedaar mijn moeder en mijn broeders;
want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.'

Vandaag is het wel ‘heel simpel’ en kort:
Mag Jezus mij een broer zijn?
En hoe ziet mijn dag er dan uit? Wil ik hem spreken?

Mt.13,1-9 (21/7/2021)

Op die dag trok Jezus buitenshuis en ging zitten bij het meer. Er verzamelde zich zo’n menigte rondom hem dat hij in een boot stapte en daarin ging zitten, terwijl de menigte op het strand stond. Hij sprak hen uitvoerig toe in gelijkenissen:
“Kijk, een zaaier ging uit om te zaaien. Daarbij viel een deel op de weg. De vogels kwamen en aten het op. Een ander deel viel op steenachtige grond, waar het niet veel aarde had. Onmiddellijk kwam het op omdat het niet veel diepte had, maar van zodra de zon opkwam, verschroeide het, omdat het geen wortel had. Een ander deel viel tussen de dorens. Die schoten op en verstikten het. Een ander deel nu viel in goede aarde en gaf vrucht, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.”
“Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”

Op het einde van deze gelijkenis valt het samen: De verschillende bodemsoorten (die er eigenlijk niet toe doen, want wie je ook bent of wat jouw bodem ook is, je wordt er niet op afgerekend) en de zaaier (die in eindeloze mildheid zichzelf blijft aanbieden aan iedereen, zonder onderscheid).
In dat laatste zinnetje wordt, voor mij, de opdracht helder: Wij zijn geroepen om te horen, om één en al oor te worden voor een woord, een roep voorbij alle dingen (rotsen, distels, onkruid, …). Wie écht luistert, wordt een ander mens. Hij zal iets doen met wat hem in de schoot geworpen wordt, met dat wat hem wordt aangereikt.
De zaaier, die geeft en blijft geven – ongeacht de levenssituatie. Het is aan ons om open en ontvankelijk te worden voor dat Woord. Het is aan ons om het te laten doordringen tot in het diepst van ons wezen.
“Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!” Dat is onze bestemming als mens, nl. doordringen tot daar waar we enkel ontvangende leegte zijn! Daar in die leegte kan het Woord ontkiemen en vruchtbaar worden!

Mt. 13,1-23 (12/07/2020)

Op zekere dag verliet Jezus zijn huis en ging aan de oever van het meer zitten.
Toen verzamelde zich bij Hem een menigte zo talrijk, dat Hij in een boot moest stappen om daar plaats te nemen,
terwijl de hele menigte langs het strand bleef staan. Hij sprak tot hen over vele dingen in gelijke­nis­sen.
'Eens, zo begon Hij, ging een zaaier uit om te zaaien. Bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten.
Een ander gedeelte viel op de rotsachtige plekken, waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag.
Toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel.
Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op, zodat het verstikte.
Een ander gedeelte tenslotte viel op goede grond en leverde vrucht op: deels honderd ‑, deels zestig ‑, deels dertigvoudig.
Wie oren heeft, hij luistere.'
Zijn leerlingen kwamen Hem vragen: 'Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?' Hij gaf hun ten antwoord:
'Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven.
Aan wie heeft, zal gegeven worden, en wel in over­vloed; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden, zelfs wat hij heeft.
Als ik tot hen spreek in gelijkenis­sen, dan is het omdat zij, ofschoon zij ogen hebben, niet zien en ofschoon zij oren hebben,
niet horen of begrijpen. Zo wordt in hen de profetie van Jesaja vervuld die aldus luidt: Met uw oren zult gij luisteren en toch niet verstaan,
met uw ogen zult gij kijken en toch niet zien. Want verhard is het hart van dit volk, met hun oren luisteren ze slecht en hun ogen doen zij dicht,
uit vrees dat zij zouden zien met hun ogen, met hun oren zouden horen, met hun hart zouden verstaan, zich zouden bekeren en Ik zou hen genezen.
Gelukkig uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen!
Want voorwaar, Ik zeg u: vele profeten en recht­vaar­digen hebben verlangd te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien; e
n te horen wat gij hoort, maar zij hebben het niet gehoord. Gij dan, luistert naar de gelijkenis van de zaaier:
Zo dikwijls iemand het woord van het Konink­rijk wel hoort maar niet begrijpt, komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart;
dat is hij die op de weg gezaaid is. Die op rotsachtige plekken werd gezaaid, is hij die het woord hoort en het terstond met blijdschap opneemt:
maar hij heeft geen wortel geschoten, hij leeft bij het ogenblik, en als hij omwille van het woord verdrukt of vervolgd wordt, komt hij onmiddel­lijk ten val.
Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld en de begoocheling van de rijkdom
verstikt en zo blijft het zonder vruchten. Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt:
bij de een is de op­brengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig.'

Hier wordt mij een beeld aangereikt van een man die kwistig met zaad in het rond strooit. Voor Jezus is dit blijkbaar heel herkenbaar.
Zelfs zo herkenbaar dat deze zaaier metafoor wordt voor zijn spreken over G-d. G-d die zoals de zaaier is en zichzelf overvloedig meedeelt
aan iedereen zonder onderscheid. Wie je ook bent, hoe je levenssituatie, jouw bodem ook is, G-d blijft in eindeloze mildheid zichzelf aanbieden.
Hoe gek kan je zijn?!
En wij, wat hebben wij te doen? Wij hebben alleen maar te accepteren dat G-d in ons vruchtbaar wil worden. Maar durf ik dat wel toe te laten?
Accepteer het maar! G-d weet echt wel wat hij doet. Loop deze gekke (of beter: liefdevolle G-d) maar niet voor de voeten met al je zelfbewuste woorden,
je ego. Laat G-d z’n werk doen. Geef hem ruimte in jou.
Zo mag ik ervaren dat G-d mij weliswaar geen zekerheden biedt maar wél vertrouwen geeft en dat ik mag leven in dat vertrouwen.
En mij oproept om dat Léven te leven, gewoon doorheen het dagelijks bezig zijn. Spreek waar kan en vertrouw waar het niet kan.
Die vertrouwvolle levenshouding zál vruchten voortbrengen!

 

Mt.13,18-23 (23/7/2021)

Jullie dus, luister naar de gelijkenis van de zaaier:
Bij ieder die het woord van het koningschap hoort, maar niet doorgrondt, komt de slechte en rooft wat in zijn hart is gezaaid. Dat is de op de weg gezaaide.
De op de steenachtige grond gezaaide is wie het woord hoort en onmiddellijk vrolijk aanneemt, maar geen wortel heeft in zichzelf – het zijn mensen van het moment. Wanneer er verdrukking of vervolging komt omwille van het woord, struikelen ze onmiddellijk.
De tussen de dorens gezaaide is wie het woord hoort, maar door de zorgen van deze wereld en de begoocheling van de rijkdom het laten verstikken, waardoor het onvruchtbaar wordt.
De in goede aarde gezaaide is wie het woord horen en het doorgronden. Zij brengen vruchten voort, de één honderd, de ander zestig, nog een ander dertig.”

Hier zit ik dan te staren op deze ‘uitleg’. Bij welke categorie zou ik mezelf indelen? Als ik daarover ga piekeren kom ik nergens. Geen van de vier past bij wie ik ben (of denk te zijn).
- ik hoor veel maar begrijpen doe ik veel minder
- mijn wortels zitten niet zo diep verankerd als ik wel zou willen
- zorgen zijn mij niet vreemd en de wereldse rijkdom ook niet
- zeggen dat ik al wat ik hoor ook begrijp zou een leugen zijn
Conclusie: Ik hoor nergens thuis!
Of zouden ze alle vier in mij aanwezig mogen zijn?
Het enige wat ik kan doen is hopen dat het lez(v)en van het Woord en al mijn geploeter ermee, misschien helpt om
- stap voor stap beter te begrijpen wat ik hoor
- de tijd te nemen om mijn wortels dieper en dieper te laten wortelen
- los te laten dat wat mij vast zet en onvrij maakt om te kunnen luisteren en begrijpen.
Gelukkig weet ik dat G-d een geduldige G-d is en weet heeft van mijn probeersels.
Mijn mens-zijn – hoe gebrekkig ook – heeft Hij lief en zo mag ik vrucht dragen.

Mt. 13,18-23 (24/07/2020)

Jij dan, luistert naar de gelijkenis van de zaaier:
Zo dikwijls iemand het woord van het Koninkrijk wel hoort maar niet begrijpt,
komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart; dat is hij die op de weg gezaaid is.
Die op rotsachtige plekken werd gezaaid, is hij die het woord hoort en het terstond met blijdschap opneemt:
maar hij heeft geen wortel geschoten, hij leeft bij het ogenblik, en als hij omwille van het woord
verdrukt of vervolgd wordt, komt hij onmiddellijk ten val.
Die gezaaid werd tussen distels is hij die het woord wel hoort, maar dit wordt door de zorgen van de wereld
en de begoocheling van de rijkdom verstikt en zo blijft het zonder vruchten.
Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt:
bij de een is de op­brengst honderdvoudig, bij een ander zestigvoudig en bij een ander dertigvoudig.'

Hier zit ik dan te staren op deze ‘uitleg’. Bij welke categorie zou ik mezelf indelen? Als ik daarover ga piekeren kom ik nergens.
Geen van de vier past bij wie ik ben (of denk te zijn).
  - Ik hoor veel maar begrijpen doe ik veel minder
  - mijn wortels die zitten echt niet zo diep verankerd als ik wel zou willen
  - zorgen zijn mij niet vreemd en de wereldse rijkdom kan ook mij bekoren (wie niet?)
  - en zeggen dat ik al wat ik hoor ook begrijp zou een leugen zijn
Conclusie: Ik hoor nergens thuis!
Of zouden ze alle vier in mij aanwezig mogen zijn? Elke geschetste categorie lijkt immers deel uit te maken van mijn leven.
Het enige dat ik kan doen is hopen dat het lez(v)en van het Woord, het doorwroeten en al mijn geploeter ermee, misschien helpt om
  - meer en meer, stap voor stap beter te begrijpen wat ik hoor
  - de tijd te nemen zodat mijn wortels de kans krijgen om zich dieper en dieper te wortelen
  - afstand te leren nemen van rijkdom, los te laten dat wat mij vast zet en onvrij maakt om te kunnen luisteren en begrijpen
Gelukkig weet ik dat G-d een geduldige G-d is en weet heeft van mijn probeersels.
Mijn mens-zijn hoe gebrekkig ook heeft Hij lief en zo zal ik vrucht dragen.

Mt.13,24-30 (24/7/2021)

Jezus legde hen [het volk] een andere gelijkenis voor:
Het koningschap der hemelen is te vergelijken met iemand die goed zaad in zijn akker zaait. Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide dolik tussen de tarwe en verdween weer. [Dolik is een giftig, bedwelmend kruid dat goed lijkt op jonge tarwe.] Toen nu het graan opkwam en vrucht begon te zetten, verscheen ook de dolik. De knechten kwamen naar de heer des huizes en zeiden hem: “Heer, je hebt toch goed zaad in je akker gezaaid? Vanwaar dan die dolik?” Hij zei hen: “Dat heeft een vijandige mens gedaan.” Nu vroegen de dienaren hem: “Wil je dat we erop uit gaan om het bijeen te garen?” Maar hij zei: “Nee!, om niet bij het verzamelen van de dolik ook de tarwe te ontwortelen. Laat beide samen opgroeien tot de oogst. Dan zal ik tegen de oogsters zeggen: Verzamel eerst de dolik en bindt het in bossen om te verbranden, maar breng de tarwe bijeen in mijn schuur.”

Je ziet het overal om je heen, het kwaad, het onkruid (dolik), het is er. Zo is nu eenmaal de realiteit waarin we leven. Zo is de werkelijkheid ook in onszelf. Dolik groeit doorheen relaties, het overwoekert schoonheid, het voedt haat en het vernietigt... Kortom, het tast ons aan, ontwortelt ons vertrouwen en doet een aanspraak op ons geduld.
Neen, de gelijkenis van het onkruid maakt het koningschap der hemelen niet mooier dan het is. Dat moeten wij dus ook maar niet doen. De dolik en de tarwe, ze groeien daar naast elkaar. Meer nog, het ene zit verstrikt in het ander.
En toch vertelt de gelijkenis – en heel de bijbel – van het goddelijke vertrouwen dat het goede zaad gezaaid ís en dat het goede zaad uiteindelijk – alleen G-d weet hoe – het kwade zal overwinnen. En wij, wij mogen leven in dat vertrouwen – ondanks alles. We mogen erop vertrouwen dat steeds weer, naast het onkruid, ook het goede in onszelf en in de ander te zien zal zijn. Dat we vrucht dragen. Én we mogen rekenen op het goddelijke geduld, het geduld dat hij heeft met ieder van ons en dat kansen biedt tot ommekeer.