Verbonden Léven

Mt.14,22-33 (9/08/2020)

Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden.
Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden. De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadien uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe.
Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan, raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeu­wen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: 'Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.'
'Heer', antwoordde Petrus,'als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.'
Waarop Jezus sprak: 'Kom!' Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: 'Heer, red mij!'
Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?'
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: 'Waarlijk. Jij bent de Zoon van God.'

 We herkennen in deze passage een voortdurende afwisseling tussen onrust en rust. De onrust is niet noodzakelijk slecht
(ze is vaak net een uiting van levendigheid), maar wordt maar hanteerbaar (en vruchtbaar) vanuit een rust.
Zo’n ankerpunt – om in het beeld van het bootje in de storm te blijven – hebben we nodig om koers te kunnen houden.
We zien Jezus dan ook vaak, na drukke momenten waarop er veel van hem gevraagd wordt, zich terugtrekken in de stilte.
Dáár is het blijkbaar dat hij dat ankerpunt vindt. Dáár – in de stilte en de teruggetrokkenheid – is het dat hij contact kan maken met zijn ‘Grond’.
Ja, daar is het juist dat hij ‘met zijn voeten op de grond’ komt!
Een gebed dat ons boven de realiteit van onze dagen doet zweven, is in christelijk opzicht eigenlijk geen gebed!
Bidden in de geest (Geest) van Jezus, is zó paradoxaal: Je zó terugtrekken in de rust, dat je de onrust aankan en vruchtbaar maakt;
zó contact maken met de Grond, dat je met de voeten op de grond komt …
De Evangeliepassage eindigt ermee … dat er een menigte noodlijdenden staat te wachten …

Mt.14,22-36 (3/08/2020)

Na de broodvermenigvuldiging dwong Jezus zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen,
terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Toen Hij het volk had weggezonden, ging Hij de berg op om in afzondering te bidden.
De avond viel en Hij was daar alleen.
De boot was reeds vele stadien uit de kust en werd geteisterd door de golven, want zij hadden tegenwind.
In de vierde nachtwake kwam Hij te voet over het meer naar hen toe. Maar toen de leerlingen Hem zo over het meer zagen gaan,
raakten zij van streek omdat zij een spook meenden te zien en zij begonnen van angst te schreeuwen.
Maar Jezus zei onmiddellijk tot hen: 'Weest gerust. Ik ben het. Vreest niet.'
'Heer', antwoordde Petrus,'als Jij het bent, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.'
Waarop Jezus sprak: 'Kom!' Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe.
Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: 'Heer, red mij!'
Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl hij tot hem zei: 'Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?'
Nadat zij in de boot gestapt waren, ging de wind liggen.
De inzittenden wierpen zich voor Hem neer en zeiden: 'Waarlijk. Jij bent de Zoon van God.'
Toen zij overgestoken waren, bereikten zij de kust bij Gennesaret.
Toen de mannen van die streek Hem herkenden, verspreidden zij in heel de omtrek het bericht van zijn komst en brachten Hem al hun zieken. Ze smeekten Hem of ze tenminste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die dit deden, werden gezond.

We herkennen in deze passage een voortdurende afwisseling tussen onrust en rust. De onrust is niet noodzakelijk slecht
(ze is vaak net een uiting van levendigheid), maar wordt maar hanteerbaar (en vruchtbaar) vanuit een rust.
Zo’n ankerpunt – om in het beeld van het bootje in de storm te blijven – hebben we nodig om koers te kunnen houden.
We zien Jezus dan ook vaak, na drukke momenten waarop er veel van hem gevraagd wordt, zich terugtrekken in de stilte.
Dáár is het blijkbaar dat hij dat ankerpunt vindt. Dáár – in de stilte en de teruggetrokkenheid – is het dat hij contact
kan maken met zijn ‘Grond’. Ja, daar is het juist dat hij ‘met zijn voeten op de grond’ komt!
Een gebed dat ons boven de realiteit van onze dagen doet zweven, is in christelijk opzicht eigenlijk geen gebed!
Bidden in de geest (Geest) van Jezus, is zó paradoxaal: Je zó terugtrekken in de rust, dat je de onrust aankan en vruchtbaar maakt;
zó contact maken met de Grond, dat je met de voeten op de grond komt …
De Evangeliepassage eindigt ermee … dat er een menigte noodlijdenden staat te wachten …

Mt.15,1-2.10-14 (4/08/2020)

Op zekere dag kwamen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Jezus met de vraag:
'Waarom overtreden jouw leerlingen wat ons van oudsher is overgeleverd? Want ze wassen hun handen niet voor het eten.'
Daarop riep Hij de mensen bij zich en sprak tot hen: 'Luistert en wilt verstaan:
Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens; de mens wordt bezoedeld door wat de mond uitgaat.'
Toen kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: 'Weet Jij dat de Farizeeën bij het horen van Jouw woorden er aanstoot aan nemen?'
Maar Hij antwoordde: 'Iedere aanplanting die niet door mijn hemelse Vader geplant is, zal worden uitgerukt.
Laat ze maar begaan: zij zijn blinden die blinden leiden. Maar als de ene blinde de andere leidt, vallen beiden in de kuil.'

Harde taal van Jezus over de leiders van zijn volk – en bij uitbreiding, over iedereen
die enige verantwoordelijkheid draagt tegenover een medemens.
Blinden die blinden leiden! Terwijl medemenselijke verantwoordelijkheid gaat over ‘zien’, onderscheidingsvermogen.
Niet van buitenaf komt kwaad, slechtheid, ‘onreinheid’, maar van binnen in de mens.
Het is wat er binnenin de mens leeft aan kwade gedachten en neigingen die het kwade voortbrengen,
wanneer hij die gedachten ook veruiterlijkt (in woord en/of daad).
Als dat zo ín mij aanwezig is, kan ik mij daar ook niet tegen beschermen door ‘de reinheidsregeltjes te volgen’
(en dan te denken dat ik ‘in orde ben’)! Nee, alleen een vrij, eerlijk en kritisch (onderscheidend) kijken
naar mijn eigen binnenste kan mij daarbij helpen.
Makkelijk of prettig zal dat niet altijd zijn, en ik kan ook ‘rekenen op’ aanstoot! Levengevend zal het wél zijn,
zowel voor mezelf als voor mijn omgeving!

Mt. 15,21-28 (16/08/2020)

In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend:
'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.'
Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
'Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.'
Hij antwoordde: 'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.'
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: 'Heer, help mij!'
Hij gaf haar ten antwoord: 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.'
'Wel waar, Heer', sprak zij,'want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.'
Daarop zei Jezus haar: 'Vrouw, je hebt een groot geloof! Jouw verlangen wordt ingewilligd.' En van dat ogenblik was haar dochter genezen.

Dit verhaal sluit aan bij de talloze andere, waarin mensen niet berusten, maar G-d aanroepen, ja zelfs ter verantwoording roepen.
Zoals Jakob/Israël die worstelt met G-d – Ik laat Je niet gaan tenzij Jij mij zegent. Of zoals Abraham en Mozes die met G-d onderhandelen.
Een groot geloof zoals deze mannen en onze vrouw, is geen kwestie van rationeel verstand. Het heeft alles te maken met
diep doorleefde emotie en begint met een weigering. De weigering om je neer te leggen bij de gang van zaken. Het gaat nog verder, zover tot de wil G-d te overtuigen.
Misschien herkende Jezus in deze vreemde vrouw wel het vuur dat ook in hemzelf sluimert. Het vuur van een geloof dat zich niet neerlegt
bij dat wat de wereld onvermijdelijk noemt, als normaal en vanzelfsprekend beschouwt of bij dat waar nu eenmaal niets tegen te doen lijkt.
Dit vurige geloof houdt koppig vol, gelooft, vertrouwt en weigert om zich neer te leggen bij onrecht of ellende, niet-leven.
In de hoop en het vertrouwen dat G-ds ja uiteindelijk alles overwint, heelt, geneest en doet Léven.

Mt.15,21-28 (5/08/2020)

In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend:
'Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.'
Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
'Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.'
Hij antwoordde: 'Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.'
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: 'Heer, help mij!'
Hij gaf haar ten antwoord: 'Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.'
'Wel waar, Heer', sprak zij,'want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.'
Daarop zei Jezus haar: 'Vrouw, je hebt een groot geloof! Jow verlangen wordt ingewilligd.' En van dat ogenblik was haar dochter genezen.

Persoonlijk vind ik dit een zéér merkwaardige en sprekende gebeurtenis uit Jezus’ leven.
Eigenlijk zien we hier Jezus’ geweten aan het werk; we zien hoe híj zich bekeert en zijn gedachten laat openbreken!
Jezus was op en top een Jood, inbegrepen het idee van het ‘uitverkoren volk’.
Daarom zegt hij ook: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen (van God = het Joodse volk) bestemd is
aan de honden (= heidenen, niet-Joden) te geven.”
Maar die Kananese (= heidense) vrouw laat niet af. Ze pakt hem in zijn eigen beeldspraak, door zich te dúrven op die ‘kleine plaats’ stellen.
Dát is pas ‘geloof’ (’t is te zeggen: vertrouwen)!
En Jezus’ sikkel valt (dat is een bijbelse munteenheid, maar hier natuurlijk ook zijn onderscheidingsvermogen):
“Vrouw (een vrouw dan ook nog eens, maar hij (h)erkent het!), je hebt een groot ‘geloof’!”
Zou ík mijn geweten zo durven laten openbreken dat ik kan zien én erkennen dat werkelijk Godsvertrouwen ook buiten mijn eigen denkkaders te vinden is?

 

Mt.15,29-37 (2/12/2020)

Jezus vertrok van daar [de kuststrook ten noordwesten van Galilea] en kwam bij het meer van Galilea
[volgens het Marcus-evangelie bij Dekapolis, ten zuidoosten van het meer, dat niet Joods was].
Hij trok de berg op en ging daar zitten [om te onderrichten].
Er kwamen heel veel mensen naar hem toe, die ook lammen, blinden, doofstommen, verminkten en vele anderen met zich mee brachten
en aan Jezus’ voeten neerlegden. En hij heelde hen. Al die mensen zagen vol verwondering dat doofstommen spraken,
verminkten gezond werden, lammen liepen en blinden zagen, en zij verheerlijkten de God van Israël.
Maar Jezus riep zijn leerlingen bij zich: “Die mensen beroeren mij tot in mijn binnenste, want ze zijn al drie dagen bij mij
en hebben niets te eten. Ik wil hen niet zonder eten wegsturen, anders bezwijken ze onderweg.”
Zijn leerlingen zeiden: “Vanwaar halen wij in dit afgelegen gebied zoveel broden om zoveel mensen voldoende te voeden?”
Jezus vroeg hun: “Hoeveel broden heb je?” Ze zeiden: “Zeven, en enkele visjes.”
Hij gebood de mensen op de grond te gaan zitten. Hij nam de zeven broden en de vissen en na gedankt te hebben [eucharistein],
brak hij ze en gaf ze aan zijn leerlingen, die ze uitdeelden aan de mensen. Allen aten en werden volop gevoed.
En toen ze de overblijvende stukken ophaalden, waren er zeven manden vol.

Hier, aan het meer van Galilea, is een menigte bijeengekomen. Mensen die zorg dragen voor elkaar (ze brachten lammen, blinden, doofstommen … met zich mee).
Mensen die betrokken zijn op elkaar. Mensen die ernaar verlangen dat de ander de kans krijgt om geheeld en bevrijd te worden.
En het gebeurt! Dankbaarheid weerklinkt. Zalig is het te mogen ervaren dat mensen geheeld en bevrijd worden, nieuwe levenskansen krijgen.
En Jezus ziet het (wij ook?)! Die mensen – hun nood, hun betrokkenheid en dankbaarheid – dit alles beroert hem tot in zijn diepste wezen.
Samen met de leerlingen kijkt hij wat ze kunnen doen, wat zij deze mensen kunnen aanbieden. Er zal genoeg zijn, daar is Hij alvast van overtuigd.
Want als mensen geven wat ze bij(in) zich hebben dan ís er genoeg, daar mag je op vertrouwen.
Dankbaar ziet Jezus hoe zijn leerlingen hem geven wat ze hebben. Hij neemt het aan, dankt G-d. Hij breekt, geeft en deelt.
En ja er is meer dan genoeg, zodat wij met een gerust hart verder kunnen breken en delen en zo elkaar doen leven in overvloed.