Verbonden Léven

Mt.4,12-17.23-25 (4/1/2021)

Toen Jezus vernam dat Johannes was gevangen genomen, week Hij uit naar Galilea.
Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarnaüm, aan de oever van het meer,
in het grensgebied van Zébulon en Náftali, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet Jesaja:
'Land van Zébulon en Náftali, liggend aan de zee, Overjordanië: Galilea van de heidenen!
Het volk dat in de duisternis zat heeft een groot licht aanschouwd;
en over hen die in het land van de schaduw van de dood gezeten hebben, over hen is een licht opgegaan.'
Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: 'Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij.'
Jezus trok rond door geheel Galilea, terwijl Hij als leraar optrad in hun synagogen,
de blijde boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en alle kwalen onder het volk genas.
Zijn faam ging uit over geheel Syrië en men bracht allen tot Hem die er slecht aan toe waren
die door velerlei ziekten en pijnen gekweld werden, bezetenen, lijders aan vallende ziekte en lammen.
En Hij genas hen. Grote volksmenigten uit Galilea en Dekápolis, uit Jeruzalem, Judea en het Overjordaanse sloten zich bij Hem aan.

Jezus’ openbaar leven is nog maar net begonnen of zijn voorloper wordt gevangen genomen. Verstandig als hij is, wijkt hij uit.
Hij trekt weg, weg uit de comfortzone van Nazareth naar onbekend gebied en vestigt zich in grensland.
Daar waar de bewoners vreemden zijn, waar het niet vanzelfsprekend is (alsof het dat ooit is) om te spreken over het Rijk der hemelen.
Hij vestigt zich bij mensen die niet geïnteresseerd zijn in G-ds Visioen, in Verbonden Léven.
Daar, tussen al die anders denkenden, leeft, verkondigt, geneest en bevrijdt hij.
Ongetwijfeld waren er – net als hier en nu; dat is immers van alle tijden – ook spanningen en tegenstellingen.
Maar hij laat zich niet meeslepen in een ‘wij-zij’ denken. Voor hem is er geen verschil tussen mensen. Het Rijk der hemelen is er voor iedereen en het is nabij.
Het gebeurt, daar waar niemand het verwacht. Daar waar mensen op de dool zijn, het niet meer zien zitten, moedeloos en uitgeput zijn.
Daar zal Licht te zien zijn, tekenen van hoop tussen mensen (tussen ons). Daar zullen mensen alert en zorgzaam samen-leven in alle openheid, gericht op elkaar.

 

Mt.4,18-22 (30/11/2020) 

Rondwandelend langs het meer van Galilea, zag Jezus twee broers: Simon, die Petrus werd genoemd, en zijn broer Andreas.
Ze waren hun netten aan het uitwerpen in het meer – ze waren namelijk vissers.
“Kom, mij achterna, riep Jezus hen, en ik zal jullie vissers van mensen maken.”
Onmiddellijk lieten zij hun netten los en volgden hem.
Verder gaande zag hij twee andere broers: Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes.
Ze waren met hun vader Zebedeus in de boot de netten aan het herstellen, en hij riep hen.
Onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader los en volgden hem.

Deze Advent start toevallig met het feest van de apostel Andreas, en dan lezen we in het Evangelie zijn roepingsverhaal.
Eigenlijk wel mooi om de Advent mee te beginnen, want is zo’n ‘voorbereidingstijd’ niet ook aan ons allemaal een hernieuwde ‘oproep – roep – roeping’?!
Worden we in die tijd niet juist ‘gaandeweg’ geroepen om ‘Kerstmensen’ te worden = mensen die Hoop brengen, omdat ze in Hoop léven,
ook – misschien nog bijzonder – in dit lastige en moeilijke corona-jaar?
Tegelijk toont de gebeurtenis waar we ons toe ‘bereiden’ dat het niet van onze heldhaftige kracht zal zijn, dat het zal komen.
Nee, Gód breekt baan, Híj komt naar óns toe (ook al denken we vaak dat het omgekeerd is).
En dat is een ongelooflijk krachtige en beloftevolle wending: God kómt in déze wereld!
Alleen – we weten het door het Woord – het zal heel klein zijn, bijna onooglijk, en heel kwetsbaar – als een nieuwgeboren kind.
Misschien is het belangrijkste dat we ‘te bereiden hebben’, onze ogen! Zodat we zouden zíen!

 

Mt.5,1-12 (7/06/2021)

(Tussen 7 en 24 juni hebben we een continue lezing van de Bergrede. Meer dan de moeite waard om wat extra aandacht aan te besteden. In deze rubriek vind je zoals gewoonlijk een duiding bij het stukje lezing dat voorzien is voor deze dag. Ter oriëntering schreven we er ook een inleiding bij over het geheel. Die vind je onder deze link.)

Toen Jezus al die mensen zag, ging hij de berg op en ging zitten. Zijn leerlingen kwamen om hem heen. Hij nam het woord en onderrichtte hen:

“Gezegend wie leeft in de geest van het bedelaarschap.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.
Gezegend wie diep droevig zijn.
Ja, zij zullen worden vertroost.
Gezegend de ootmoedigen.
Ja, zij zullen te-vrede-nheid ontvangen. [Ps.37,11]
Gezegend wie hongeren en dorsten naar wat waarachtig is.
Ja, zij zullen verzadigd worden.
Gezegend de barmhartigen.
Ja, zij zullen barmhartigheid ontmoeten.
Gezegend wie integer is in denken en doen. [Ps.24,4]
Ja, zij zullen God zien.
Gezegend wie vrede bewerken.
Ja, zij zullen kinderen van God worden genoemd.
Gezegend wie vervolgd worden om wat waarachtig is.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.”

“Gezegend zijn jullie
wanneer ze je uitschelden en vervolgen
en onterecht allerlei kwaad over jullie spreken
omwille van mij.
Wees blij en jubel!
Ja, overvloedig is jullie loon in de hemelen.
Zo immers werden de profeten vóór jullie ook vervolgd.”

Hier gaan we dan voor onze lange reeks over de hele Bergrede (zie afzonderlijke inleiding).
We zien het in sterke spirituele geschriften wel meer voorkomen (de grote Joannes van het Kruis bv. schrijft vaak zo): een kort gedicht gaat voorop, een lange ontvouwing volgt. Maar eigenlijk staat alles dus al samengebald in het begin, met poëtische kracht.
Je kunt ‘de zaligsprekingen’ zonder verpinken ‘de 10 geboden van de Christen’ noemen. Ze bieden werkelijk een grondslag voor wie in diepte als Christen in het leven wil staan. Behartigenswaardig dus, vandaag en voor de rest van ons leven!
Het woord dat Matteüs gebruikt, wat hier vertaald is met ‘gezegend’, is moeilijk in één Nederlands woord weer te geven. In elk geval verre van een oppervlakkig ‘bravo’, geen ‘vaststelling’, maar een ‘wens’ – en wel een heel actieve! De fameuze vertaling van Chouraqui, die dicht bij het Hebreeuws aanleunt (wat zeker past voor onze Joodse leraar Matteüs), schrijft: en marche! Vooruit, op weg ermee!
Ik denk dat dit zeer goed de geest (zeg maar Geest) van ‘de zaligsprekingen’ weergeeft. Durf ermee op weg te gaan (met élk van hen), en jij en je omgeving zullen ermee gezegend zijn!
Het ‘ga’ je Go(e)d!

 

Mt. 5,1-12 (8/6/2020)

Toen Jezus deze menigte zag, ging Hij de berg op en, nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem.
Hij nam het woord en onder­richtte hen aldus:'Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.
Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.
Zalig de zachtmoedi­gen, want zij zullen het land bezitten.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerech­tigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervin­den.
Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.
Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnent­wil:
Verheug je en juicht, want groot is jouw loon in de hemel. Zo immers hebben ze de profeten vervolgd die voor jou geleefd hebben. 

Wie met eerlijk open ogen in de wereld staat, moet – gelovig of niet – wel verwonderd zijn over deze tekst.
Dit is nu toch een zaligprijzen van alles wat in de wereld juist níet zalig wordt geprezen!? Dit lijkt wel een tekst voor ‘loosers’, ‘softies’ (of gewoonweg sukkelaars).
Is het dát wat Christenen – in het spoor van Jezus – propageren?
Ja!
Als er íets is wat Jezus heeft proberen te vertellen (in verhalen én zijn leven), dan gaat het over zachtheid, tederheid.
Midden in een harde wereld (of juister: een wereld die denkt te moeten hard zijn om zichzelf te verdedigen) toont Jezus dat niet hardheid,
maar zachtheid de kern uitmaakt van elk mensenleven. (Zelfs van de hele schepping: denk maar aan het vloeibare magma in het binnenste van onze aardkorst.
‘Zalig het magma’, want daarzonder zou de wereld dood zijn!)
Als wij straks in de wereld komen, zal die wereld dan verwonderd zijn om ons, omdat het aan ons te zien en te beleven valt dat zachtheid zalig is?
(Hou er wel rekening mee dat verwondering nogal eens omslaat in vijandigheid. Goedheid roept kwaadheid op – wist óók Jezus al.)

 

Mt. 5,1-12 (1/11/2020) 

Toen Jezus al die mensen zag, ging hij de berg op en ging zitten. Zijn leerlingen kwamen om hem heen.
Hij nam het woord en onderrichtte hen:

“Gezegend wie leeft in de geest van het bedelaarschap.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.
Gezegend wie diep droevig zijn.
Ja, zij zullen worden vertroost.
Gezegend de ootmoedigen.
Ja, zij zullen tevredenheid ontvangen. [Ps.37,11]
Gezegend wie hongeren en dorsten naar wat waarachtig is.
Ja, zij zullen verzadigd worden.
Gezegend de barmhartigen.
Ja, zij zullen barmhartigheid ontmoeten.
Gezegend wie integer is in denken en doen. [Ps.24,4]
Ja, zij zullen God zien.
Gezegend wie vrede bewerken.
Ja, zij zullen kinderen van God worden genoemd.
Gezegend wie vervolgd worden om wat waarachtig is.
Ja, van hen is het koninkrijk der hemelen.”

“Gezegend zijn jullie wanneer ze je uitschelden en vervolgen en onterecht allerlei kwaad over jullie spreken omwille van mij.
Wees blij en jubel! Ja, overvloedig is jullie loon in de hemelen. Zo immers werden de profeten vóór jullie ook vervolgd.”

“Zalig de armen van geest”, zo horen we het meestal. “Gezegend wie leeft in de geest van het bedelaarschap”,
probeert de vertaling iets weer te geven van ‘de geest’ van de woorden i.p.v. ‘de letter’.
(En uiteraard moet je alle volgende er meteen bij lezen, want ze vormen overduidelijk één geheel.)
En dat als lezing op het Hoogfeest van Allerheiligen? Ja precies! Waar waarachtige ‘heiligheid’ over gaat, geeft Matteüs hier prachtig weer.
Nikske heldhaftigheid; nikske eigenmachtigheid; nikske spectaculair; … Heiligheid gaat over nederigheid: leven in de geest van de bedelaar …
Niets héb ik – alles ontváng ik.
Niets betrácht ik – ik zit langs de kant van de weg, afwachtend, vérwachtend.
Niets schrijf ik mezelf toe – het zijn mensen in naam van G-d die mij voorzien van wat ik nodig heb.
G-d is mijn alles – mag mijn alles worden! Mijn leven, in ontvangende gegevenheid, mag transparant worden:
sprekend van Hem – en zoals Hij meestal blijk te zijn, is dat in alle stilte en bescheidenheid …
Ja, “gezegend wie leeft in de geest van het bedelaarschap”!

 

Mt.5,13-16 (8/06/2021)

(Tussen 7 en 24 juni hebben we een continue lezing van de Bergrede. Meer dan de moeite waard om wat extra aandacht aan te besteden. In deze rubriek vind je zoals gewoonlijk een duiding bij het stukje lezing dat voorzien is voor deze dag. Ter oriëntering schreven we er ook een inleiding bij over het geheel. Die vind je onder deze link.) 

 “Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout verdwaasd raakt, waarmee kan het dan weer zout worden? Voor niets heeft het nog kracht, alleen om weggeworpen te worden en door de mensen vertrapt.”
Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad kan niet verborgen zijn als ze boven op een berg ligt. Men steekt ook geen lamp aan om ze onder een emmer te zetten, maar men zet haar op een kandelaar zodat ze schijnt voor alle mensen in huis.
Zo moet ook jullie licht stralen voor de mensen, opdat ze bij jullie de goede werken zien en jullie Vader in de hemelen grootmaken.”

De Bergrede laat er geen misverstand over bestaan. Er is maar één doel van al deze ‘richtingwijzers’: ‘zout’ en ‘licht’ zijn, “opdat ze de goede werken zíen, en jullie Vader grootmaken”.
Die beelden zijn zeer raak gekozen! Zout moet zó aanwezig zijn in een maaltijd, dat het de mááltijd tot z’n recht laat komen. Als het, door té af- of aanwezigheid, de aandacht op zichzelf trekt, zit het niet goed. Licht dient niet om náár te kijken, maar om ándere dingen zichtbaar te maken.
Als Christen dragen wij dus eigenlijk een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn van onze mede-mensen en van onze wereld! Er wordt ons iets gegeven, niet om onszelf in te vermeien, maar ten bate van de wereld.
Komen wij daarmee naar buiten? Laten wij zien/ervaren wat voor Go(e)ds wij te bieden hebben (niet in eigen naam dus)? Het is valse bescheidenheid als wij dat Licht onder een emmer zetten! En moet het ons dan verbazen hoe in onze tijd christendom als irrelevant aan de kant wordt geschoven? Misschien zijn wíj wel de smaak van ons zout verloren?