Verbonden Léven

Mt.4,18-22 (30/11/2021) 

Rondwandelend langs het meer van Galilea, zag Jezus twee broers: Simon, die Petrus werd genoemd, en zijn broer Andreas. Ze waren hun netten aan het uitwerpen in het meer – ze waren namelijk vissers.
“Kom, mij achterna, riep Jezus hen, en ik zal jullie vissers van mensen maken.”
Onmiddellijk lieten zij hun netten los en volgden hem.
Verder gaande zag hij twee andere broers: Jakobus, de zoon van Zebedeus, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader Zebedeus in de boot de netten aan het herstellen, en hij riep hen.
Onmiddellijk lieten zij de boot en hun vader los en volgden hem.

Wandelend langs het meer spreekt Jezus mensen aan. Hij gaat naar hen toe en roept hen. “Kom, ik zal jullie leven her-oriënteren. Ik maak jullie tot vissers van mensen”. Zij laten alles los en volgen hem.
Híj komt naar óns toe (ook al denken we vaak dat wij het zijn, die hem tegemoet gaan). Hij biedt zich aan, niet met toeters en bellen, niet heldhaftig, maar in alle kwetsbaarheid. Ongelooflijk krachtig en beloftevol is dat: G-d komt, kwetsbaar als een pasgeboren kind, in deze wereld! Een gebeurtenis om ons naar toe te ‘bereiden’!
Advent of ‘voorbereidingstijd’ is een uitgelezen tijd om ons te oefenen in zien en horen, om alert en waakzaam op het spoor te komen waar wij geroepen worden om Hoopvolle mensen te zijn. Advent is een tijd om mensen van Hoop te worden midden alle onzekerheid en angst, midden alle eenzaamheid en onmacht.
Mooi toch om de Advent te mogen beginnen met deze oproep, want is zo’n ‘voorbereidingstijd’ niet ook aan ons allemaal een hernieuwde ‘oproep – roep – roeping’ om ons leven te her-oriënteren, te bereiden naar G-d toe?!

 

Mt.16,13-23 (05/08/2021)

Nu kwam Jezus in de streek van Caesarea Filippi [noord-Israël]. Hij vroeg aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is?” Ze antwoordden: “Sommigen zeggen Johannes de doper, anderen Elia, en nog anderen Jeremia of één van de profeten.
Nu zei hij tegen hen: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat ik ben?” Simon Petrus antwoordde: “Jij bent de Gezalfde [Christos/Messiah], de zoon van de levende God!” Jezus zei nu tegen hem: “Gezegend [vooruit ermee!] ben jij, Simon Barjona [zoon van Jona], want niet vlees en bloed hebben dit geopenbaard aan jou, maar mijn Vader in de hemelen. En ik zeg jou dat jij een rots [petros] bent, en op deze rots zal ik mijn gemeenschap bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet te sterk zijn. En ik zal je de sleutels geven van het koningschap der hemelen. Wat je zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat je zult vrij maken op de aarde, zal vrij gemaakt zijn in de hemelen.”
Daarop verbood hij zijn leerlingen aan iemand te zeggen dat hij de Gezalfde was.
Vanaf toen begon Jezus zijn leerlingen aan te wijzen dat het moest dat hij naar Jeruzalem trok, dat hij veel te lijden zou hebben van de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, dat hij gedood zou worden en dat hij op de derde dag zou opstaan.
Petrus nam hem terzijde en sprak hem fel toe: “Goeiegenade! Nooit mag jou zoiets overkomen, Heer!” Maar Jezus keerde zich af en zei tegen Petrus: “Ga weg! Achter mij, tegenstrever [satan]! Je bent mij een ergernis/struikelblok, omdat je niet denkt vanuit God, maar vanuit de mens.”

Heel wat mensen komen er wel toe Jezus een profeet – of zoiets – te noemen. Wat de leerlingen zelf denken, komen we hier niet te weten. Eerst antwoorden ze op Jezus’ vraag wat ‘de mensen’ denken, en vervolgens krijgen ze geen kans om iets te zeggen, omdat Petrus hen (weeral eens?) te vlug af is.
In elk geval: Naast de velen die hem profeet noemen, is er maar één die hem ‘zoon van de levende God’ noemt! Dat is op zich al bedenkelijk! Onder die ‘vele mensen’ zijn toch immers ook veel volgelingen van Jezus, die hem graag en veel aanhoorden? Blijkbaar geraak je niet zomaar vanzelf een stap verder in dat Christus-geheim.
En niemand – niemand – komt ermee dat de mensenzoon tegenkanting zal kennen, zódanig dat ze hem zullen vermoorden. Niemand komt ermee dat de mensenzoon iemand is die het lijden van anderen op zich zal nemen, vrij en (daardoor) bevrijdend.
Hoe ‘ondenkbaar’ wordt dan zijn verrijzenis?!
En toch …
Het Christus-geheim kan maar gaande-weg ont-dekt worden … Ga je mee?

Mt. 5,13-16 (9/06/2020)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Jullie zijn het zout der aarde. Maar als het zout zijn kracht verliest,
waar mee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.
Jullie zijn het licht der wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt!
Men steekt toch ook niet een lamp aan om ze onder de korenmaat te zetten, maar men plaatst ze op de standaard,
zodat ze licht geeft voor allen die in huis zijn.
Zo moet ook jullie licht stralen voor het oog van de mensen, opdat zij jullie goede werken zien en jullie Vader verheerlijken die in de hemel is.

Welke smaak zal ik vandaag geven aan de wereld?
Welk licht zal     ik   vandaag geven aan de wereld?
Dat onze wereld heel wat smakeloze zaakjes bevat en veel duisternis herbergt, dat blijkt helaas van alle tijden.
Dat heeft te maken met de beperktheid van onze menselijke natuur – en dan vooral met het feit dat we die beperktheid
niet willen zien en dan maar camoufleren.
Dat was in Bijbelse tijden dus ook zo. En juist omdat de Bijbel in dit soort smakeloosheid en duisternis zout en licht aanwijst,
is het nog steeds een meer dan lezenswaardig boek!
Wie bijbels wil leven, hoeft zich dus ‘slechts’ de bovenstaande vragen te stellen (én te beantwoorden natuurlijk).
Dat is de ‘enige’ taak die wij als Christen in de wereld te vervullen hebben!
En het mag (moet eigenlijk) te zien zijn aan ons! Let wel op de goede volgorde: Mijn licht mag wel degelijk te zien zijn (moet ik zelfs “op de standaard zetten”),
maar dient niet om mijzélf in het licht te zetten! Het dient opdat het góede te zien zou zijn! En als het helemaal goed zit, wordt mijn licht zó transparant,
dat men er iets van Dé Goede begint in te bespeuren.

 

Mt.17,22-27 (09/08/2021)

Toen ze rondtrokken in Galilea, zei Jezus tegen hen: “De mensenzoon zal overgeleverd worden in de handen van de mensen en ze zullen hem doden en op de derde dag zal hij opstaan.” Ze werden diep bedroefd.
Toen ze in Kafarnaüm waren, kwamen de inners van de tempelbelasting naar Petrus [een in de Joodse wet bepaalde belasting van 2 daglonen per jaar] en vroegen: “Betaalt jullie meester de tempelbelasting?” “Jawel!”, zei Petrus.
En toen hij thuis kwam, was Jezus hem voor met de vraag: “Wat denk je, Simon: de koningen van de wereld, van wie ontvangen zij belastingen, van hun zonen of van de vreemden?” Petrus antwoordde: “Van de vreemden.” Jezus zei: “Dan zijn de zonen vrij. Maar om hen geen aanstoot te geven: Ga naar het meer, werp een vishaak uit, neem de eerste vis die bovenkomt, open zijn bek en je zult een stater [munt van 4 daglonen] vinden. Neem die en betaal ermee voor mij en jou.”

De ‘lijdensvoorspelling’ staat er hier zo weer een beetje tussen, een beetje verloren tussen de rest. Wellicht zoals het ook was toen Jezus het zijn leerlingen probeerde duidelijk te maken, maar zij (liever?) met andere dingen bezig waren.
Deze kwestie van de ‘tempelbelasting’ is een andere dan de meer bekende “geef aan de keizer wat de keizer toekomt” (Mt.22,17-21). De tempelbelasting was een Joods-religieuze bijdrage binnen het eigen volk. Toch heeft Jezus er duidelijk zijn bedenkingen bij. Hij is blijkbaar niet tegen het principe – want hij betaalt ze toch maar – maar wil dat dit in vrijheid gebeurt.
Meer dan we misschien vaak horen, gaat het Evangelie over vrij worden. Jezus’ vrijheid is er echter geen van dan maar ‘alles doen wat je wil’, maar eerder: je door niets laten tegenhouden om te doen wat je moet doen – een ‘moeten’ vanuit de weg naar G-d bekeken.
Van welke vooropgezette ideeën moet ik nog loskomen om in díe vrijheid onderscheid te kunnen maken?

Mt.1,18-24 (18/12/2021)

De geboorte van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah] verliep zo:
Zijn moeder, Maria, was verloofd met Jozef. Voor zij echter gingen samenleven, werd zij zwanger bevonden uit heilige geest. Haar man Jozef, die integer was, wilde haar niet openlijk te schande maken en dacht erover haar in het geheim weg te sturen. Kijk! Terwijl hij deze dingen overdacht, verscheen een boodschapper [engel] van de Heer in een droom aan hem: “Jozef, zoon van David, wees niet bang Maria, je vrouw, bij jou te nemen, want wat in haar is verwekt is uit heilige geest. Ze zal een zoon baren en je moet hem de naam Jezus [de Heer is redding] geven, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.”
Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat vanwege de Heer door de profeet is gezegd: Zie, de jonge vrouw zal zwanger worden en een zoon baren en ze zullen hem noemen: Immanuël [Jes.7,14], wat betekent: God met ons.
Ontwaakt uit de slaap deed Jozef nu zoals de boodschapper van de Heer hem had opgedragen en nam zijn vrouw bij zich.

In de loop van een jaar komen we Maria aardig vaak tegen; Jozef een héél stuk minder. Terecht? Zou er een Maria geweest zijn zonder Jozef? Een Jezus zonder Jozef? Over de biologische kwesties moeten we het hier niet hebben, maar wél over de menselijke, die toch de context vormen voor G-ds menswording.
Zou Maria, in haar uiterst precaire situatie, haar kind hebben kunnen baren, zonder de nederig stille – ootmoedige – aanwezigheid van Jozef, die haar een beschermend levenskader bood? Zou Jezus, een jongen als alle andere, als méns kunnen opgroeien zijn, zonder de beschikbare en stimulerende – liefhebbende – aanwezigheid van Jozef, die hem het leven én een vak leerde?
Hoe zou de wereld eruit zien, als wij allemaal gewoon ons werk zouden doen en onze relaties beleven zoals steeds, maar op de wijze van Jozef? Zouden die niet wat rustiger en solieder en dus levengevend worden?
De beschermende beslotenheid van een warm levenskader, en de stimulerende openheid om het leven te durven leren, dát bood alvast de Go(e)de ruimte voor ‘Immanuël’ – God met ons!

Mt.8,5-11 (29/11/2021)

Toen Jezus binnenging in Kafarnaüm, kwam er een centurio [honderdman, Romeinse legeroverste] smekend naar hem: “Heer, mijn jongen [kan zijn zoon zijn, of een dierbare knecht] ligt thuis verlamd en lijdt vreselijke pijn.” Jezus zei hem: “Ik zal hem komen genezen.”
Maar de centurio antwoordde hem: “Heer, ik ben te klein dat je in mijn huis zou komen, maar spreek slechts één woord en mijn jongen zal gezond worden. Want ook ik ben een mens aan wie volmacht werd gegeven. Ik heb soldaten onder mij en als ik tot de ene zeg ‘ga’, dan gaat hij, en tot de ander ‘kom’, dan komt hij, of tegen mijn dienstknecht ‘doe dit’, dan doet hij dat.”
Toen Jezus dit hoorde, verwonderde hij zich en zei tegen wie hem volgden: “Amen, ik zeg jullie: Zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof/vertrouwen gevonden! Daarom zeg ik jullie dat velen van oost tot west zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob deel zullen hebben aan het koningschap van de hemelen.

Een Romeins legeroverste die heel goed zijn positie (zijn macht) kent, komt Jezus tegemoet. Hij is zich bewust van zijn ‘grootsheid’, maar die belet hem niet om te beseffen dat de ander hem en hij de Ander nodig heeft. Dit wordt des te meer duidelijk in de confrontatie met het mysterie van leven en dood. Daar voelt hij zijn kleinheid.
Hij is een man die doet wat hij moet doen, nl. alert en zorgzaam omgaan met wie aan hem zijn toevertrouwd. Hij weet zijn plaats en (er)kent zijn grenzen. Hij voelt waar zijn grens bereikt is en heeft het lef om de zorg uit handen te geven. Hij vertrouwt de jongen toe aan de Ander en is rotsvast overtuigd van de helende kracht van diens Woord.
Elke keer bij het uitspreken van die woorden “Heer, ik ben niet waardig dat Jij tot mij komt.” besef ik dat het dat is waar nederigheid om gaat: leven op de juiste plaats, jouw plaats. Nederigheid is jezelf noch te klein, noch te groot maken, maar het bevindt zich op de gulden middenweg tussen deze beide.