Verbonden Léven

Mt.9,9-13 (21/09/2021) 

Jezus ging van daar verder en zag een zekere Matteüs bij het tolhuis zitten. “Volg mij,” zei hij tegen hem, en hij stond op en volgde Jezus. Jezus ging in op zijn uitnodiging voor een afscheidsmaal.
En kijk: Veel tollenaars en zondaars kwamen ook en lagen mee aan tafel met Jezus en zijn leerlingen. Toen de Farizeeën dit zagen, insinueerden ze tegen zijn leerlingen: “Waarom eet die meester van jullie met tollenaars en zondaars?”
Maar Jezus had dit gehoord en antwoordde: “Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken. Ga, en onderzoek wat dit wil zeggen. Mededogen wens ik, geen holle offers. Niet om de rechtvaardigen te roepen, ben ik gekomen, maar de zondaars.”

Dit is wellicht wel het kortste roepingsverhaal uit de Bijbel! Het staat er allemaal in één zin. Nochtans was er niets vanzelfsprekends aan, integendeel!
Waar de Farizeeën hier alweer over morren, zou net zo goed uit ónze mond kunnen komen.
Wat zouden wij zeggen als we Jezus zien optrekken met collaborateurs en afpersers – meer nog, dat hij er zo-een uitkiest om zijn dichte leerling te zijn?
En toch is het dat wat hier gebeurt. Eerst heeft Jezus een paar vissers tot zijn kring geroepen. Niet bepaald de meest hoog aangeschreven mensen,
maar dan toch een eerbaar beroep. Nu roept hij iemand die alom veracht wordt en zélfs ‘wettelijk onrein’ is wegens zijn contacten met heidenen.
Maar Jezus gaat het nooit om slaafse navolging van regels. Voor Jezus gaat het om het hart, het mededogen.
Wie hem volgt als hij roept, is welkom,
welkom in het clubje ‘tollenaars en zondaars’, welkom bij de ‘rafelrandmensen’, welkom bij wie in het hart beseffen redding nódig te hebben.

 

 

Mt.23,1-12 (15/03/2022)

“De schriftgeleerden en farizeeën zetten zich op de leerstoel van Mozes. Neem dus in acht en doe alles wat ze jullie zeggen, maar handel niet naar hun daden, want zij zeggen het wel, maar doen het niet. Ze binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders van de mensen, terwijl ze zelf ze met geen vinger verroeren. En de werken die ze doen, doen ze om zich te tonen aan de mensen. Ze maken hun gebedsriemen breed en de kwasten van hun mantel groot. [Beide waren uiterlijke symbolen van Godsverbonden leven; de wet bepaalde echter niet hoe groot die waren.] Ze hebben graag de voornaamste plaatsen bij maaltijden en in de samenkomsten [synagoge]; ze hebben graag dat ze op de markt worden begroet en dat ze door de mensen rabbi [mijn meester] worden genoemd. Jullie echter moeten je geen rabbi laten noemen, want jullie hebben maar één leermeester, terwijl jullie allemaal broers en zussen zijn.
Noem niemand op aarde jullie Vader, want jullie hebben maar één Vader, de Vader in de hemelen. Laat je ook geen leermeester/leider noemen, want jullie hebben maar één leermeester/leider, de Gezalfde [christos/messiah]. Maar de grootste onder jullie zal je dienaar zijn.
Wie zichzelf verheft, zal klein worden, en wie zichzelf klein maakt, zal verheven worden.”

Ons geloof moet zich wel vertalen in uiterlijke daden – anders is het hol en vroom gepraat – maar het mag er nooit om gaan dat die daden per se gezien zouden worden. Geloof/vertrouwen is in wezen een innerlijk gebeuren tussen G-d en mens, waardoor ook onmiddellijk duidelijk is dat mijn plaats daarin klein is. Niet te klein, niet kleiner, maar wel klein. Ik mag ik zijn, maar ook niet meer. Al de rest is opgeblazen plaats innemen van een ander.
De Schrift is daarin een merkwaardig boeiende wegwijzer. Dat wisten de schriftgeleerden; dat wist Jezus. Weten wij het? Merkwaardig is vooral dat het er allemaal staat hoe het zo mooi zou kunnen zijn als mensen daad-werkelijk zouden gaan leven naar G-ds droom, maar dat tegelijk er ook staat hoe vaak mensen naast hun schoenen lopen. Een beetje nederigheid … is dus nog maar op z’n plaats. De Schrift (wat wij het ‘Oude Testament’ noemen, en ook wat later over Jezus in het ‘Nieuwe Testament’ kwam) wijst ons dus de weg naar die juiste innerlijkheid, naar onze juiste verhouding t.a.v. G-d. Als wij dát ter harte nemen (dus zeer innerlijk), dan zál zich dat wel vertalen naar onze handen en voeten.
Vervolgens sprak Jezus de menigte en zijn leerlingen toe:

 

Mt.1,1-17 (17/12/2021)

Boek van de geschiedenis van Jezus de gezalfde [Christos-Messiah],
zoon van David, zoon van Abraham.

Abraham verwekte Isaak,
Isaak Jakob, Jakob Juda en zijn broers.
Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar.
Peres verwekte Chesron, Chesron Aram.
Aram verwekte Aminadab,
Aminadab Nachson, Nachson Salmon.
Salmon verwekte Boaz bij Rachab,
Boaz Obed bij Ruth.
Obed verwekte Isaï
en Isaï verwekte David, de koning.

Koning David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria.
Salomo verwekte Rechabeam,
Rechabeam Abia, Abia Asa.
Asa verwekte Josafat,
Josafat Joram, Joram Uzzia.
Uzzia verwekte Jotam,
Jotam Achaz, Achaz Hizkia.
Hizkia verwekte Manasse,
Manasse Aman, Aman Josia.
Josia verwekte Jechonja en zijn broers
ten tijde van de Babylonische ballingschap.

Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël,
Sealtiël verwekte Zerubbabel.
Zerubbabel verwekte Abihud,
Abihud Eljakim, Eljakim Azor.
Azor verwekte Zadok,
Zadok Achim, Achim Eliud.
Eliud verwekte Eleazar,
Eleazar Mattan, Mattan Jakob.
Jakob verwekte Jozef, de man van Maria,
uit wie Jezus werd geboren,
genoemd: de gezalfde [Christos-Messiah].

Dus, van Abraham tot David:
veertien generaties;
van David tot de Babylonische ballingschap:
veertien generaties;
van de Babylonische ballingschap tot de gezalfde:
veertien generaties.

Niet direct de meest boeiende lectuur vandaag, bij de start van de Kerst-noveen. En dan nog helemaal aan het begin van Matteüs’ boek. Een hedendaagse uitgever zou dat onmiddellijk schrappen, want niet goed voor de verkoopcijfers. Maar daar trokken Matteüs en Lucas, die ook zo’n genealogielijst weergeeft, zich niets van aan. Niet de verkoopbaarheid stond voor hen voorop, maar de betekenis.
Als we het over Jezus willen hebben, die wij straks met Kerstmis ook verwachten, dan moeten we het hebben over een méns, én moeten we het hebben over G-d die met die mensen onderweg is. En aangezien geen enkel mens op zichzelf bestaat, én G-d geen eenmalig ‘event’ is, moet er wel een lange stoet passeren aan mensen waarmee G-d zíjn geschiedenis is gegaan.
De indeling die Matteüs specifiek maakt, duidt er bovendien op dat Jezus niet zomaar een passage op de weg is, maar een kruis-punt: met hem begint een nieuwe tijd, nog ongezien en ongehoord! Wie mee-wandelt zal het zien!

 

 

 

 

Mt.9,27-31 (3/12/2021)

Toen Jezus van daar vertrok [van het huis van de overste van de synagoge van Kafarnaum], volgden twee blinden hem. Ze schreeuwden: “Ontferm je over ons, zoon van David!” Thuis gekomen, kwamen de blinden bij hem en Jezus vroeg hen: “Vertrouwen jullie dat ik de geestkracht heb dit te doen?” Ze antwoordden: “Ja, Heer!”
Toen raakte hij hun ogen aan en zei: “Het gebeure naar jullie vertrouwen.” En hun ogen werden geopend. Jezus beval hen streng: “Let op dat niemand het te weten komt!” Maar eens buiten maakten ze hem in de hele omgeving bekend.

Wat een lef van Jezus! Zeg maar vermetelheid. Híj is van G-dswege gezonden om de wereld te redden – dat is ook zijn essentie, het wezen van zijn naam: Jeshua, G-d redt – en als puntje bij paaltje komt, zegt hij simpelweg: “Júllie vertrouwen heeft jullie gered!”
De redding die Jezus brengt, is geen ‘hocus pocus’, niet iets wat van buitenaf komt. Het is niet iets wat hij toevoegt aan de mens. Nee, de mens ís al geschapen ‘naar G-ds beeld en gelijkenis’. Alles is al aanwezig! Jezus komt ons alleen ‘wakker maken’. Hij komt ons roepen, oproepen, om datgene wat in ons al aanwezig is, ook tot leven te laten komen. Dan zullen we Léven!
Durf ik erop rekenen dat G-ds scheppingskracht in mij aanwezig is? Durf ik te schreeuwen: “Ontdooi met jouw warmhartige blik die kiemkracht die opgesloten ligt in mijn verkilde hart!”
Het zál het dus gebeuren, naar ons vertrouwen!
En is het je opgevallen dat het blínden zijn die dit beter zíen … ?!

Mt.14,13-21 (02/08/2021)

Toen Jezus dit hoorde [het bericht van de dood van Johannes], trok hij zich in een boot van daar terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de menigte dit hoorde, volgden ze hem te voet vanuit hun steden. Toen Jezus uitstapte, zag hij dan ook een grote menigte. Hij werd ten diepste bewogen om hen en hij genas de zieken onder hen.
Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden: “Dit is een eenzame plaats en het [etens]uur is al voorbij. Stuur de menigte weg zodat ze in de dorpen rondom voedsel voor zichzelf kunnen gaan kopen. Maar Jezus zei hen: “Het is niet nodig dat zij weggaan; geven jullie hen maar te eten.” “Maar, antwoordden zij, wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen!” Hij zei: “Breng ze mij.” En hij liet de mensen zich neervlijen op het gras.
Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek op naar de hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze aan zijn leerlingen en de leerlingen aan de menigte.
Allen aten tot ze voldoende gevoed waren. En van de overgebleven stukken verzamelden ze twaalf korven. Het waren ongeveer vijfduizend mannen die gegeten hadden, vrouwen en kinderen niet meegeteld.

De broodvermenigvuldiging. Weeral eens. (Kan ik er wat aan doen dat elk van de vier evangelisten dit gebeuren beschrijft; Johannes zelfs twee keer!? Het kan ons alleen maar doen concluderen dat het een belangrijk gebeuren is, als we Jezus’ leven en boodschap willen begrijpen.)
In deze versie van Matteüs valt mij het detail op “het [etens]uur is al voorbij”. Over en out dus; het is hopeloos. (Net zoals uiteraard ook de “vijf broden en twee vissen” voor 5000 mannen plus een veelvoud aan vrouwen en kinderen.)
Niet zo dus als Jezus in de buurt is!
Geen situatie is zó ver gezet, dat ze voor Jezus hopeloos zou zijn. – Als dát geen hoopvolle boodschap is!
Wanneer stijgt de ‘honger’ jou ten top en denk je met het weinige dat je hebt er helemaal niet te komen? Al eens aan gedacht om dat weinige – schamele zeg maar – aan Jezus aan te bieden en er hém zijn gang mee te laten gaan?

Mt. 2,13-18 (28/12/2020)

Kort nadat de wijzen van hen waren heengegaan, verscheen er aan Jozef
in een droom een boodschapper [engel] van de Heer.
Hij zei: “Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte.
Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het doden.”
Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.
Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling
wat bij monde van de profeet van de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’ [Hos.11,1]
Toen Herodes begreep dat hij door de wijzen was misleid, werd hij verschrikkelijk kwaad,
en afgaande op het tijdstip dat hij van de wijzen had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem
en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger te doden.
Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia:
‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen
en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ [Jer.31,15]

Hoeveel kinderen zouden al op de vlucht moeten nog voor ze kunnen lopen?
Hoeveel kinderen zouden al vermoord worden nog voor ze een daad konden stellen?
Hoeveel onschuldig bloed – letterlijk en figuurlijk – wordt er (nog dagelijks) vergoten
omwille van machtsstreven (meestal verpakt in het blinkend papier van een ‘ideaal’)?
Zou Jezus het daarom ‘in zijn bloed’ hebben gehad dat hij er moest zijn voor de uitgestotenen, de “vluchtelingen en vreemden, wezen en weduwen”?
Het lag opgeslagen in zijn basale herinnering wat het is om doodsbedreigd te moeten vluchten
– maar ook hoe er zelfs dan (of net dan) ‘engelen van mensen’ zijn die luisteren naar ‘engelen van de Heer’,
die hem droegen en behoedden, en hem – weer eens – het leven schonken.
En déze G-d wil hij aan mensen laten kennen. Niet de God van de macht, maar de G-d van de draag-kracht:
wat het leven (en zelfs de dood) je ook brengt, er zal altijd een engel zijn die je draagt, behoedt én het Léven schenkt!