Verbonden Léven

 Mt. 25,1-13 (8/11/2020)

Dan zal het koninkrijk der hemelen te vergelijken zijn met tien meisjes die hun lampen namen en er op uit trokken, de bruidegom tegemoet.
Vijf van hen waren dwaas, de vijf andere wijs. De dwaze namen wel hun lampen mee, maar geen olie,
terwijl de wijzen samen met hun lampen ook olie in hun kruiken meenamen.
Toen nu de bruidegom op zich liet wachten, vielen ze allen in slaap.
Maar midden in de nacht klonk er geroep: “Kijk! De bruidegom komt! Trek hem tegemoet.”
Toen stonden alle meisjes op en brachten hun lampen in orde. De dwazen zeiden tegen de wijzen:
“Geef ons van jullie olie, want onze lampen gaan uit.” Maar de wijzen antwoordden:
“Best niet, er zal immers niet voldoende zijn voor ons en jullie samen. Ga liever naar de verkopers en koop er voor jezelf.”
Terwijl ze weg waren om olie te kopen, kwam de bruidegom aan, en wie bereid was [klaargemaakt én bereidwillig]
ging met hem naar binnen naar het bruiloftsfeest en de deur werd gesloten.
Later kwamen ook de andere meisjes aan en zeiden: “Heer, heer, doe open voor ons!”
Maar hij antwoordde: “Ik zeg jullie naar waarheid: Ik ken jullie niet.”
Wees dus wakker! Want je kent dag noch uur.

Over wachten en over hoopvol en verwachtend uitzien naar ... daarover gaat deze parabel.
Ik wil hem zo ook lezen – zeker in deze coronatijd – als een parabel waarin hoopvol uitgezien wordt naar een toekomst vol Léven, Zijn toekomst.
Een parabel waarin bruidsmeisjes hun fakkels ontsteken en al dansend voorop gaan. Hoopvol zien ze uit naar een nieuwe tijd,
naar een nieuw samen-leven met G-d. Een G-d die tussen ons mensen wil wonen en zo het leven zal doen uitgroeien tot een feest.
Zou dat niet fantastisch zijn? Wij, als blije, hoopvolle mensen (te midden van angstig op zichzelf teruggeplooide mensen)
die vol verwachting leven en uitzien naar een hoopvol gebeuren, om – op het moment dat het zich voltrekt – open te staan voor G-d die aanklopt
en ons uitnodigt om deel te nemen aan zijn goddelijke dans. Ik wens ze je toe, die dansende bruidsmeisjes als bron van inspiratie.

Mt. 25,14-30 (15/11/2020) 

Want het is zoals met een man die naar het buitenland ging.
Hij riep zijn dienaren en vertrouwde hen zijn bezit toe.
Aan de één gaf hij vijf talenten [5x 6000 daglonen], een ander twee en nog een ander één, elk naar zijn eigen mogelijkheden.
Daarna vertrok hij.
Meteen ging degene die vijf talenten gekregen had eropuit om er handel mee te drijven en hij verdiende er vijf bij.
Zo ook degene die er twee ontvangen had: hij verdiende er twee bij.
Maar degene die het ene gekregen had, ging ergens ver weg, groef een gat in de grond en verborg zo het geld van zijn heer.
Een hele tijd later kwam nu de heer van die dienaars terug en hield afrekening met hen.
Die de vijf talenten gekregen had, kwam bij hem en gaf hem ook de vijf andere:
“Heer, vijf talenten heb je mij toevertrouwd, zie, vijf talenten heb ik erbij verdiend.”
Zijn heer zei hem: “Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over het weinige was je trouw, over veel zal ik je aanstellen.
Verblijf in de vreugde van je heer!”
Ook die de twee talenten gekregen had kwam bij hen en zei: “Heer, twee talenten heb je mij toevertrouwd, zie, twee talenten heb ik erbij verdiend.”
Zijn heer zei hem: “Uitstekend, goede en trouwe dienaar, over het weinige was je trouw, over veel zal ik je aanstellen.
Verblijf in de vreugde van je heer!”
Nu kwam ook die het ene talent gekregen had bij hem en zei: “Heer, ik wist dat je een hard mens bent, die oogst wat je niet hebt gezaaid
en verzamelt wat je niet hebt uitgestrooid. Ik was bang en heb je talent ergens ver weg verborgen in de grond. Zie, hier heb je je bezit.”
Zijn heer antwoordde hem echter: “Slechte en angstig aarzelende dienaar, je meende te weten dat ik oogst wat ik niet heb gezaaid
en verzamel wat ik niet heb uitgestrooid? Je had dus mijn geld bij de bank moeten geven, zodat ik het terugkreeg met rente.
Neem dus dat talent van hem af, en geef het aan wie er tien heeft, want aan wie heeft, zal gegeven worden – hij zal overvloed hebben –
en van al wie niet heeft, zal zelfs wat hij heeft weggenomen worden.
En werp die nutteloze dienaar eruit, in de buitenste duisternis, daar zal geween zijn en tandengeknars.”

Een óverbekende parabel. En neen, ik zal geen spitsvondige draai nemen om toch maar met een nieuwe interpretatie af te komen.
Gewoon toepassen op het leven vandaag zal al voldoende zijn!
Al opgemerkt?: Het antwoord van de heer op die met 5 en 2 talenten is exact hetzelfde.
Het gaat hem dus níet om met hoeveel je start. “Ik kan niet zoveel”, is nooit een excuus!
Integendeel: de parabel vertelt net dat je veel meer in je hebt dan je denkt! Wie “meteen ermee aan de slag te gaat”,
zál vaststellen dat ook andere, vaak nooit vermoede, talenten naar buiten komen!
Dat gebeurt níet als je in angst wegkruipt. Dan ‘rendeert’ zelfs dat ene talent niet.
De toepassing vandaag lijkt mij ‘simpel’: Kijk eens om je heen, kijk eens in jezelf: hoeveel angst ‘regeert’ daar?
De (corona- en andere) tijden hebben ons zó ‘in ons kot’ doen kruipen, dat ons talent daar mee opgeborgen is geraakt.
Als ik vandaag nu eens “meteen aan de slag ga” met wie ik ben … De parabel vertelt ons wat er dan zal gebeuren én dat G-d ons zal zeggen:
“Uitstekend, goede en trouwe dienaar. Verblijf in de vreugde van je heer!”

 

Mt.25,31-46 (22/2/2021)

Wanneer nu de mensenzoon komt in zijn heerlijkheid, en alle engelen met hem,
zal hij plaatsnemen op zijn heerlijke troon. Alle volken zullen voor hem verzameld worden
en hij zal allen onderscheiden, zoals een herder de schapen onderscheidt van de bokken.
De schapen zal hij aan zijn rechterhand zetten, de bokken aan zijn linker.
Dan zal de koning zeggen tegen wie aan zijn rechterhand zit: “Kom, gezegenden van mijn Vader,
ontvang het koninkrijk dat voor jullie bereid is vanaf de grondlegging van de wereld.
Want ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven; ik had dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven;
ik was vreemdeling en jullie hebben mij in je midden opgenomen; ik was naakt en jullie hebben mij gekleed;
ik was ziek en jullie hebben naar mij omgezien; ik was gevangen en jullie zijn naar me toegekomen.”
Dan zullen de rechtvaardigen hem vragen: “Heer, wanneer hebben wij jou hongerig gezien en hebben we je te eten gegeven,
of dorstig en hebben we je te drinken gegeven? Wanneer hebben we je als vreemdeling gezien
en hebben we je in ons midden opgenomen, of naakt en hebben je gekleed?
En wanneer hebben wij je ziek gezien of gevangen en zijn wij naar je toe gekomen?”
Dan zal de koning hen antwoorden: “Zeker, ik zeg jullie: Voor zover je deze dingen hebt gedaan
voor een van mijn broers of zussen, de allergeringsten, heb je ze voor mij gedaan.”
Dan zal hij ook zeggen tegen wie aan zijn linkerkant zit: “Ga weg van mij, vervloekten,
in het eeuwig vuur dat bereid is voor de uiteendrijver [diabolos] en zijn engelen.
Want ik had honger en jullie hebben mij niet te eten gegeven; ik had dorst en jullie hebben mij niet te drinken gegeven;
ik was vreemdeling en jullie hebben mij niet in je midden opgenomen; ik was naakt en jullie hebben mij niet gekleed;
ik was ziek en gevangen en jullie hebben niet naar mij omgezien.”
Dan zullen ook zij vragen: “Heer, wanneer hebben wij je hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt,
of ziek of gevangen, en hebben wij niet voor je gezorgd?”
Dan zal hij hen antwoorden: “Zeker, ik zeg jullie:
Voor zover je deze dingen niet hebt gedaan voor een van de allergeringsten, heb je ze ook niet voor mij gedaan.”
En dezen zullen weggaan naar de eeuwige bestraffing, maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.

Merkwaardige, ‘buitengewone’ G-d … die zich wil vereenzelvigen met de mens!
Tot het alleruiterste heeft hij dat gedaan door zelf mens te worden in Jezus, maar het gebeurt talloze keren, in alle streken en tijden opnieuw.
Misschien nóg merkwaardiger is dat hij dat blijkbaar nog liefst van al doet in kwetsbare mensen, ‘rafelrandmensen’.
Misschien kijken wij teveel op naar Jezus om nog te herkennen hóe ‘rafelrand’ hij eigenlijk zelf wel was en wie zijn voorkeurscontacten waren.
De parabel die hij hier vertelt was nochtans uit zijn leven gegrepen. Jezus zegt én doet het klaar en duidelijk:
het is met déze mensen dat G-d zich vereenzelvigt.
En nóg merkwaardiger is dat de medemensen, die al of niet omzien naar die rafelranders,
het niet noodzakelijk hoeven te (h)erkennen dat het om G-d gaat! Zó sterk is zijn vereenzelviging,
dat alle goeds die aan rafelranders wordt gegeven ‘ipso facto’ aan hém is gegeven!
Twee vragen komen daaruit voort: 1° Hoe staat het met mijn ‘omzien naar rafelranders’?
en 2° Hoe staat het met mijn besef zélf rafelrander te zijn, zodat G-d zich éindelijk mag vereenzelvigen met míj – wat blijkbaar een diep verlangen van hem is?

Mt. 25,31-46 (22/11/2020)

Wanneer nu de mensenzoon komt in zijn heerlijkheid, en alle engelen met hem, zal hij plaatsnemen op zijn heerlijke troon.
Alle volken zullen voor hem verzameld worden en hij zal allen onderscheiden, zoals een herder de schapen onderscheidt van de bokken.
De schapen zal hij aan zijn rechterhand zetten, de bokken aan zijn linker.
Dan zal de koning zeggen tegen wie aan zijn rechterhand zit:
“Kom, gezegenden van mijn Vader, ontvang het koninkrijk dat voor jullie bereid is vanaf de grondlegging van de wereld.
Want ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven;
ik had dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven;
ik was vreemdeling en jullie hebben mij in je midden opgenomen;
ik was naakt en jullie hebben mij gekleed;
ik was ziek en jullie hebben naar mij omgezien;
ik was gevangen en jullie zijn naar me toegekomen.”
Dan zullen de rechtvaardigen hem vragen:
“Heer, wanneer hebben wij jou hongerig gezien en hebben we je te eten gegeven, of dorstig en hebben we je te drinken gegeven?
Wanneer hebben we je als vreemdeling gezien en hebben we je in ons midden opgenomen, of naakt en hebben je gekleed?
En wanneer hebben wij je ziek gezien of gevangen en zijn wij naar je toe gekomen?”
Dan zal de koning hen antwoorden: “Zeker, ik zeg jullie:
Voor zover je deze dingen hebt gedaan voor een van mijn broers of zussen, de allergeringsten, heb je ze voor mij gedaan.”
Dan zal hij ook zeggen tegen wie aan zijn linkerkant zit:
“Ga weg van mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de uiteendrijver [diabolos] en zijn engelen.
Want ik had honger en jullie hebben mij niet te eten gegeven;
ik had dorst en jullie hebben mij niet te drinken gegeven;
ik was vreemdeling en jullie hebben mij niet in je midden opgenomen;
ik was naakt en jullie hebben mij niet gekleed;
ik was ziek en gevangen en jullie hebben niet naar mij omgezien.”
Dan zullen ook zij vragen:
“Heer, wanneer hebben wij je hongerig gezien of dorstig, als vreemdeling of naakt, of ziek of gevangen, en hebben wij niet voor je gezorgd?”
Dan zal hij hen antwoorden: “Zeker, ik zeg jullie:
Voor zover je deze dingen niet hebt gedaan voor een van de allergeringsten, heb je ze ook niet voor mij gedaan.”
En dezen zullen weggaan naar de eeuwige bestraffing,
maar de rechtvaardigen naar het eeuwig leven.

Lastig niet, G-d samen denken met ‘oordeel’? G-d die de ultieme balans opmaakt en een rapport uitreikt en tweede zit is niet mogelijk.
Het confronteert omdat ik besef dat ik niet aan deze of gene kant zal uitkomen maar ergens tussenin.
De scheiding tussen schapen en bokken loopt nu eenmaal dwars doorheen ieder mens (dus ook door mij).
Maar als G-d zich met deze verdeelde mens verbindt, gaat hij níet als scherprechter tewerk. Wél vraagt hij naar ons doen en laten.
Hij neemt ons ernstig in hoe we leefden (dat maakt een verschil). Gaf jouw leven de ander – en dan voornamelijk de meest kwetsbare – kans tot leven of niet?
Koos je bewust om de ander te willen zien, zijn nood te zien en te doen wat nodig is of niet?
Aan ieder van ons de keuze: (niet) kijken, (niet) in relatie gaan en (niet) handelen.
Het oordeel is aan G-d.

Mt. 26,14-25 (Jes.50,4-9a) (08/4/2020)

In die tijd ging een van de twaalf, Judas Iskariot geheten, naar de hogepriesters en zei: 'Wat wilt ge mij geven als ik u hem in handen speel?' Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit.
En van toen af zocht hij een gunstige gelegenheid om hem over te leveren.
Op de eerste dag van het ongedesemde brood kwamen de leerlingen Jezus vragen: 'Waar wilt gij dat wij het paasmaal voor u gereed maken?' Hij antwoordde: 'Gaat naar de stad en zegt aan die en die:
De Meester laat weten: Mijn uur is nabij; bij u wil ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.' De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en maakten het paasmaal gereed.
Toen de avond gevallen was lag hij met de twaalf leerlingen aan. Onder de maaltijd sprak hij: 'Voorwaar, ik zeg u: een van u zal mij overleveren.'
Smartelijk getroffen begon de een na de ander hem te vragen: 'Ik ben het toch niet, Heer?' Hij antwoordde: 'Die met mij zijn hand in de schotel steekt zal mij overleveren.
Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!'
Judas, zijn verrader, nam het woord en zei: 'Ik ben het toch niet, Rabbi?' Hij antwoordde hem: 'Gij zegt het.'

Jes.50,4-9a

God, de HEER, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren. Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de HEER, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd. Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars, wie mij de baard uittrokken,
bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de HEER, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak?
Laat hij mij tegemoet treden. God, de HEER, zal mij helpen - wie zal mij dan veroordelen?

Wat een contrast!
In het Evangelie de ‘leerling’ Judas.
Bij Jesaja de ‘leerling’ die bezongen wordt in ‘het lied van de lijdende dienaar’:
“De Heer heeft mij gegeven de tong van een goede leerling, zodat ik de moedeloze toe kan spreken. In de morgen wekt Hij mij op om te spreken, in de morgen wekt Hij mij op om te luisteren,
zodat ik hoor wat een leerling hoort. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en bespuwden.” (Jes.50,4-6)
Het is de overmoed of de ootmoed!
Zal ik het zelf wel doen of laat ik God aan het werk in mijn leven?
Handel ik naar eigen inzicht of laat ik mij gewillig (?) voeren op Gods wegen?
Werk ik voor eigen rekening of ten bate van het Rijk Gods?

In de Goede Week worden wij uitgenodigd ‘het Lam te volgen dat naar de slachtbank wordt geleid’.
‘Volgzaamheid’ blijkt een kenmerk te zijn van de echte leerling van Jezus – nee, geen ‘schaapachtigheid’; wel: mij laten leiden door de voetsporen van Hem die mij is voorgegaan.
Makkelijk belooft dat niet te zijn.
Lévengevend wel!

Mt.26,14-25 (31/3/2021)

Toen [na de zalving van Jezus door Maria in Betanië] ging één van de twaalf, Judas van Keriot, naar de hogepriesters en zei: “Wat zul je mij geven? Ik zal hem aan jullie uitleveren.” Ze zegden hem dertig zilverlingen toe. [Zach.11,12] En van dan af zocht hij een goede gelegenheid om hem uit te leveren.
Op de eerste [dag van het feest] van de ongezuurde [broden] kwamen Jezus’ leerlingen hem vragen: “Waar is het je bedoeling dat wij het Paasmaal voor jou bereiden?” Hij zei: “Ga de stad in, naar je-weet-wel, en zeg hem: ‘De meester laat weten: Mijn tijd is nabij. Bij jou wil ik het Paasfeest vieren met mijn leerlingen.’” De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen en ze bereidden het Paasmaal. Toen het avond werd ging hij met de twaalf aan tafel.
Terwijl ze aten, zei hij: “Amen, ik zeg jullie: Eén van jullie zal mij uitleveren.” Heel bedroefd geworden, begonnen zij elk aan hem te vragen: “Ik ben het toch niet, heer?” Hij antwoordde: “Die met mij de hand in de schotel heeft gestoken, hij zal mij uitleveren. [cf. Ps.41,10b] De mensenzoon gaat wel heen zoals over hem geschreven is, maar wee de mens door wie de mensenzoon wordt uitgeleverd. Het was beter voor hem geweest als hij niet geboren was die mens.” Judas, die hem zou uitleveren, zei hem ook: “Ik ben het toch niet, rabbi [meester]?” Jezus antwoordde hem: “Wat je zegt …”

Vandaag krijgen we de Matteüs-versie te horen van hetzelfde gebeuren als gisteren bij Johannes, beide gesitueerd tijdens ‘het laatste avondmaal’. Opvallend zijn de nuances in de ‘rol’ die aan Judas wordt bedeeld.
Bij Johannes is hij eigenlijk helemaal ‘lijdend voorwerp’: Hij zegt niets, doet niets, maar de hete aardappel (in dit geval: het stuk brood) wordt naar hem toegeschoven. En hij ‘doet wat moet’ …
Bij Matteüs is Judas actiever aanwezig. Of preciezer: Hij is vooráf actief geweest en ligt nu waarschijnlijk op vinkenslag … om zijn slag te slaan. De kwestie met ‘de hand in de schotel’ wordt hier wat dubbelzinnig: Strikt genomen staat er bij Matteüs niet dat het over Judas gaat. Daar aan de tafel van toen staken álle tafelgenoten hun hand in dezelfde schotel!

Míjn rol in het hele lijdensgebeuren van Jezus heeft zowel passieve als actieve trekken.
Het overwegen waard, in de komende dagen:
Waar laat ik mij (al of niet geruisloos) meeslepen in een spiraal ten dode?
En waar ‘beraam’ ik het kwade? (Dat laatste kan zwaar klinken, maar eigenlijk ontsnapt geen enkele ‘leerling van Jezus’ aan deze vraag …)