Verbonden Léven

Mc.4,26-34 (29/1/2021)

Verder zei hij: “Zo is het koningschap van God: Als iemand die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat op, nacht en dag, en het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe.
Want uit de in zichzelf aanwezige kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de halm, dan de aar, dan het volle koren.
En wanneer de vruchten rijp zijn, slaat hij er onmiddellijk de sikkel in omdat de oogst is aangebroken.”
Verder zei hij: “Waarmee zouden we het koningschap van God vergelijken? Welk beeld kunnen we ervoor gebruiken?
Het is als een mosterdzaadje: Wanneer het in de aarde wordt gezaaid, is het kleiner dan alle zaden op aarde,
maar wanneer het is gezaaid, ontkiemt en groeit het en wordt groter dan alle tuingewassen en
er komen grote takken aan zodat de vogels zich in hun schaduw kunnen nestelen.”
Met vele zulke gelijkenissen verkondigde hij hun het woord, naarmate zij in staat waren het te horen.
Alleen in gelijkenissen sprak hij tegen hen, maar apart met zijn leerlingen, gaf hij hen van alles uitleg.

Deze boer zou de mascotte kunnen zijn van een of ander relaxatie- of onthaastingscentrum.
Hij zaait en wacht. Hij wordt niet ongeduldig of manipuleert het groei en rijpingsproces niet.
Hij zaait en wacht. Hij laat ontkiemen en groeien dat wat hij aan de aarde heeft toevertrouwd.
Een boer met pedagogische allures die kansen biedt, nabij blijft, niet ingrijpt van buitenaf, maar geduldig laat gebeuren.
Hij vertrouwt op de innerlijke kracht en laat ze groeien van binnenuit.
Of met ander woorden: Doe wat je ’kan’ en wat je ‘moet’ doen, meer wordt er van jou niet verwacht.
Het is alsof Jezus zegt: ”Het zaad zal wel blijven groeien terwijl de boer slaapt! Jij moet er je slaap niet voor laten.
Meer nog, voegt Jezus eraan toe, handel en vertrouw. Je mag erop vertrouwen dat dit koningschap toekomst heeft,
ook al is het begin klein, zo klein als een mosterdzaadje. Het zal openbloeien op eigen spontane wijze.
En wij, wij krijgen de tijd om te horen, te leren luisteren ieder op z’n eigen ritme, z’n eigen tijd.

Mc.4,35-41 (30/1/2021)

Op diezelfde dag, toen het avond was geworden, zei Jezus tegen zijn leerlingen:
“Laten we naar de overkant van het meer gaan.” Ze lieten de menigte gaan en namen hem mee,zoals hij in de boot zat.
Ook andere bootjes waren bij hem.
Er stak een hevige stormwind op en de golven stortten zich op de boot, zodat die al vol liep.
Hij lag ondertussen op het achterschip, op een kussen, te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: “Meester, raakt het jou niet dat we vergaan?”
Nu wakker geworden, strafte hij de wind af en zei tegen het meer: “Zwijg! Wees stil!” En de wind bedaarde en er ontstond een grote stilte.
Hij zei tegen hen: “Waarom zijn jullie zo bang? Hoe kunnen jullie nog zo zonder vertrouwen zijn?”
Zij echter werden erg bevreesd en zeiden tegen elkaar: “Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?”

“Het was avond geworden.” Je kan het de laatste maanden concreet zien gebeuren. Storm steekt op. Je voelt het in de lucht.
Je ziet het aan de mensen, duisternis daalt neer. We zijn bang, weten niet meer wat te doen. Op onszelf teruggeworpen voelen we ons alleen.
Het lijkt alsof de a(A)nder slaapt, zich niets van ons aantrekt. Onrust, twijfel en onzekerheid, beheersen onze levens.
Op zo’n moment komt de vraag “Waarom zijn jullie zo bang? Hoe kunnen jullie nog zo zonder vertrouwen zijn?” stevig binnen.
Een kans (?) om, doorheen de storm, opnieuw te zien dat ons leven geweven en in stand gehouden wordt door gewone – meestal vergeten – mensen,
die ongevraagd (misschien ongeweten) doen wat moet gedaan. Zij die angst, onrust, twijfel en onzekerheid het zwijgen opleggen door nabij te zijn,
te laten voelen dat jij er voor hen toe doet. Kortom zij die hun leven delen en zo – als mede-scheppers – hoop en leven geven, net als hij.
En toch aarzelen we om te geloven – ook al ‘weten’ we – dat er een kracht van hem uitgaat die alles (ook de stormen) ten goede te keert.
En vragen ons af wie is hij toch?

Mc.5,1-20 (1/2/2021)

Ze kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gadarenen.
[Gadara is 1 van de 10 steden van Dekapolis, helleens, niet-Joods] Hij stapte uit de boot.
Onmiddellijk kwam uit de grafspelonken iemand hem tegemoet: een mens ment een nog niet gereinigde geest, die woonde tussen de graven.
Zelfs met ketens was niemand meer bij machte hem te binden. Meerdere keren had men hem gebonden met voetboeien en ketens,
maar de ketens trok hij uiteen en de boeien verbrijzelde hij. Niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen.
Altijd maar door, zowel ’s nachts als overdag, was hij in de bergen en tussen de graven en schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen.
Hij had Jezus al van ver gezien, rende op hem af en viel voor hem neer. Krijsend riep hij luid:
“Wat is er tussen mij en jou, Jezus, zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je, kwel mij niet!”
Want Jezus had tegen hem gezegd: “Ga weg uit deze mens, nog niet gereinigde geest.”
En hij vroeg hem: “Hoe is je naam?” Hij antwoordde: “Legioen is mijn naam, omdat wij met velen zijn.”
En hij smeekte hem met aandrang dat hij hen niet uit het gebied zou wegzenden.
Er was daar tegen de bergflanken een grote kudde varkens aan het grazen.
Ze smeekten hem: “Stuur ons naar die varkens, dat wij daar onze intrek kunnen nemen.”
Hij stond het hun toe, en onmiddellijk gingen de nog niet gereinigde geesten weg [uit de man] en trokken in in de varkens.
De kudde – zo’n tweeduizend varkens – stortte zich vanaf de helling in het meer en ze verdronken.
Degene die de varkens aan het hoeden waren, vluchtten en berichtten ervan in de stad en op de velden.
Men trok er op uit om te zien wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus en zagen de man die bezeten was geweest door het legioen,
gekleed zittend en bij zijn verstand. En zij werden bang.
Zij die het gezien hadden, vertelden hun hoe het gebeurd was, met de bezetene en met de varkens.
En zij smeekten Jezus uit hun gebied weg te gaan.
Hij stapte in de boot.
De man die bezeten was geweest, smeekte hem om bij hem te mogen blijven. Jezus stond het hem niet toe, maar zei:
“Ga naar huis, naar je familie en vrienden, en verkondig wat de Heer voor jou heeft gedaan en hoe hij zich over jou heeft ontfermd.”
En hij vertrok en begon te verkondigen in Dekapolis. En allen verwonderden zich.

Hier vindt een ontmoeting plaats tussen een mens die roept en gehoord wil worden, en Jezus.
Aan de ene kant een mens in de greep van de waanzin, geïsoleerd. Een mens die, omwille van ónze angst, uit het dagelijkse leven verwijderd wordt.
Een mens die, aan handen en voeten geboeid, geïsoleerd wordt, zodat wij zijn schreeuwen niet hoeven te horen.
Het is een mechanisme van alle tijden: de ‘normale’ mens die de ‘vreemde’ isoleert en hem zo uit zijn blikveld verwijdert.
En tegenover die mens staat Jezus, één en al Liefde, één en al aandacht. Hij leeft voorbij de angst en hoort zo de rauwe schreeuw om aandacht.
In alle vrijheid spreekt hij hem aan. Vol vertrouwen gaat hij de relatie aan, maakt verbinding en vraagt:
“Hoe is je naam?” “Wat gaat er schuil in jou, in jouw waanzin?”
Het antwoord klinkt: “Legioen” … want ze zijn met velen (die demonen) de angsten en tegenkrachten die verblinden, die mensen doen terugplooien op zichzelf.
Aan ons de keuze: Isoleren uit angst of voorbij de angst – vol vertrouwen – Verbonden Léven!

Mc.6,1-6 (3/2/2021)

Jezus ging van daar [Kafarnaüm] weg en kwam in zijn vaderstad [Nazaret, ca. 40km van Kafarnaüm].
Zijn leerlingen volgden hem. Toen het sabbat werd begon hij te onderrichten in de plaats van samenkomst [synagoge].
Velen die het hoorden, stonden versteld: “Vanwaar heeft hij die dingen? Wat voor een wijsheid is er aan hem gegeven?
En wat een machtige daden gebeuren er door zijn handen!? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon?
Wonen zijn zussen niet hier bij ons?” En ze namen aanstoot aan hem.
Maar Jezus zei tegen hen: “Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn vaderstad, bij zijn verwanten en in zijn huis.”
En hij kon daar geen enkele machtige daad [wonder] doen, behalve dat hij enkele ziekelijken de handen oplegde en hen heelde.
Hij verwonderde zich over hun niet-vertrouwen en trok rond langs de dorpen in de omtrek en onderrichtte er.

Veronderstel eens dat plots het gerucht de ronde doet dat je buurman messiasallures heeft door
rond te trekken, boodschappen te verkondigen en zieken te genezen. Wees eens eerlijk … Wat zou je denken …?
Natuurlijk mogen we ons onderscheidingsvermogen nooit uitschakelen, maar minstens starten met een open en ontvankelijke houding
kan ons veel moois doen zien dat we zouden missen bij een te kritische houding.
Dat wij het bijzondere van de mensen rondom ons niet zien (want elke – élke – mens is geschapen naar Gods beeld),
heeft veel te maken met jaloezie en vooroordelen. Het vraagt wat eerlijke moed om dat te willen zien, maar het is wel bevrijdend. Het brengt het heil dichterbij!
Valt het je niet op dat het weer maar eens de ziekelijken zijn die het wél snappen. T.t.z.: ‘snappen’ wellicht niet, maar er wel ontvankelijk voor zijn.
Misschien omdat zij het ondertussen al lang ‘weten’ dat ze het niet van eigen kracht zullen hebben? …

Mc.6,7-13 (4/2/2021)

 Jezus riep nu de twaalf bij zich. Hij begon hen twee aan twee uit te zenden [aposteloo] en gaf hun volmacht over nog niet gereinigde geesten.
Hij droeg hun op dat ze niets mee zouden nemen op weg dan alleen een stok; geen reiszak, geen brood, geen geld.
Sandalen mochten ze wel dragen, geen extra kleren. Hij zei tegen hen: “Waar je ook onderdak krijgt in een huis, verblijf daar tot je weer verder gaat.
En overal waar ze jullie niet ontvangen en niet naar jullie luisteren: trek daar weg en schud het stof van je voeten als een getuigenis tegen hen.”
Ze gingen op weg en verkondigden [de bevrijdende boodschap] zodat ze zich zouden bekeren. Ze dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en heelden hen.

Wie het een beetje meent met zijn/haar leerlingschap, zál uitgezonden worden.
Als ik het dan aandurf enkel en alleen nog een ‘stok’ over te houden (die al sinds Psalm 23,4 symbool staat voor G-ds steun), dan mag ik weten:
Ik krijg “volmacht over nog niet gereinigde geesten”.
Van die ‘nog niet gereinigde geesten’ loopt het in onze tijd eerder hoe langer hoe voller! (En dan heb ik het níet over mensen met psychiatrische problemen,
maar over de behoorlijk velen die zichzelf ‘normaal’ noemen, maar wel krom tot recht verklaren, verkondigen dat een samen-leving los van elkaar kan, winst boven welzijn stellen, …)
Er is nog werk aan de winkel! – En daar krijg ik ‘volmacht’ over. Dat is géén wereldlijke macht die in een handomdraai alles zou kunnen wegvegen.
Dat gaat eerder over: Vertrouw erop dat je innerlijke kracht – G-d die ín mij woont – sterker is en je toelaat ín deze wereld ánders te leven.
Ik kán mij níet laten infecteren door deze ‘nog niet gereinigde geesten’. En zó leven, zal op die ‘geesten’ in mijn omgeving een heilzame werking hebben!

Mc.6,14-29 (5/2/2021)

Koning Herodes hoorde dit, want zijn naam werd overal bekend. Men zei: “Johannes de doper is uit de doden opgestaan.
Daardoor werken die krachten in hem.” Anderen zeiden: “Hij is Elia.” [de profeet die zou terugkeren]
En weer anderen: “Het is een profeet!” Maar Herodes zei: “Het is Johannes, die ik onthoofd heb. Hij is opgestaan uit de doden.”
Herodes had inderdaad zelf soldaten gezonden om Johannes te grijpen en hem te binden in de gevangenis,
omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij [onrechtmatig] was getrouwd. Johannes had immers tegen Herodes gezegd:
“Het is niet geoorloofd de vrouw van je broer te huwen.” Daarom had Herodias het op hem gemunt en wilde hem doden, maar dat kon ze niet,
want Herodes had ontzag voor Johannes omdat hij hem kende als een rechtgeaarde en heilige man. Daarom beschermde hij hem.
Telkens hij hem hoorde, kwam hij in verlegenheid, maar toch luisterde hij graag naar hem.

Maar er kwam een geschikte dag toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal inrichtte voor zijn rijksgroten, de legeroversten en de vooraanstaanden van Galilea.
Herodias’ dochter was binnengekomen en had gedanst. Dat behaagde Herodes en zijn tafelgenoten.
De koning zei tegen het meisje: “Vraag me wat je wil en ik zal het je geven.”
En hij zwoer haar: “Wat je mij ook vraagt, ik zal het je geven, tot de helft van mijn koninkrijk!”
Zij ging naar buiten en vroeg haar moeder: “Wat zou ik vragen?” Die zei: “Het hoofd van Johannes de doper.”
Onmiddellijk ging zij weer binnen, haastte zich naar de koning en vroeg: “Ik wil dat je mij, onmiddellijk, op een schotel, het hoofd van Johannes de doper geeft.”
De koning werd zeer bedroefd, maar vanwege de eed en de tafelgenoten wilde hij haar niet afwijzen.
Onmiddellijk zond de koning een lijfwacht en beval hem het hoofd van Johannes te brengen. Hij ging heen en onthoofde hem in de gevangenis.
Hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder.

Toen zijn leerlingen dit hoorden, kwamen ze om zijn lichaam mee te nemen en legden het in een graf.

Zoveel als er wijn en bloed vloeien, zoveel verregaande kleinmenselijkheden bepalen deze dramatische gebeurtenis
(de besluiteloze en sexueel lichtontvlambare Herodes, de machts- en wraaklustige intrigante Herodias, de puberale dramaqueen dochter).
– En dát staat in het ‘Evangelie’: ‘goede’, ‘bevrijdende’ boodschap!?
Misschien is die eerste verrassing al heel leerrijk: Ja, dat soort dingen staat in het Evangelie.
In het Evangelie (en ruimer nog als je de hele Bijbel erbij neemt) is niets menselijks vreemd!
Het is dan ook een ménsenboek – in de betekenis dat het een poging tot weergave is van hoe mensen de tijden door,
en door alle omstandigheden heen, gezocht hebben hoe G-d een rol kon spelen in hun leven. – En daar behoort dus ook veel (héél véél) kleinmenselijkheid bij.
Maar het is de weg van mensen met hun G-d. Net zoals Johannes de doper voorloper was in de verkondiging,
zo wordt hij dat ook in de lijdens- en stervensweg van de messias: om onnuttige, kleinmenselijke redenen gruwelijk vermoord …
én een paar zorgzame handen die hem toch in een graf leggen.