Verbonden Léven

Lc.9,1-6 (22/09/2021)

Nu riep hij zijn twaalf leerlingen bijeen en gaf hen de kracht en de bevoegdheid over alle demonen en om ziekten te genezen. Hij zond hen uit om het koninkrijk van God te verkondigen en om zieken te helen. Hij zei tegen hen:
“Neem niets mee op de weg: geen stok, geen reistas, geen brood, geen geld, geen twee stel kleren.
In welk huis je ook onderdak krijgt, verblijf daar tot je weer verder gaat. En overal waar ze jullie niet ontvangen, ga weg uit die stad en schud ook het stof van je voeten, als getuigenis tegen hen.”
Ze gingen op weg door de dorpen terwijl ze het Goede Nieuws verkondigden en overal zieken heelden.

Akkoord dat wij die dit commentaar lezen en proberen ter harte te nemen, ons ‘leerlingen van Jezus’ zouden willen (en mogen) noemen?
Wel dan, wij hébben “de kracht en de bevoegdheid over demonen en om ziekten te genezen”! Jezus reikt ons die aan en maakt die – als zíjn kracht – werkzaam in ons!
Waarschijnlijk wimpelen wij dat meestal af als ‘iets uit de oude tijd, toen ze nog niet beter wisten’. In ons commentaar op Lc.4,31-37 hadden we het er al over hoe ‘demonen’ ook vandaag aan het werk zijn, en hoe wij als Christen net geroepen én uitgerust zijn om mede-mensen daarvan te bevrijden.
Doen wij daar iets mee? Zullen we daar vandaag iets mee doen? Zullen wij dat ‘Goede Nieuws’, die bevrijdende boodschap, brengen onder de mensen – in zijn naam?
Dat dat kán, staat hier te lezen. Dat dat niet altijd gemakkelijk zal zijn óók. Én dat het een grote onthechting vraagt. Het zijn niet onze eigen krachten die dit zullen bewerken, maar enkel onze verbinding met de Kracht van onze Leer-Meester.

Lc. 9,7-9 (23/09/2021)

Alles wat er door Jezus gebeurde kwam nu ter ore aan de tetrarch Herodes. Hij raakte hevig verontrust omdat door sommigen gezegd werd dat Johannes [de doper] was opgestaan uit de doden. Sommigen zeiden dat Elia [de profeet die zou terugkeren] verschenen was, anderen dat een van de vroegere profeten was opgestaan.
Maar Herodes zei: “Johannes heb ik onthoofd. Wie is dat dan over wie ik zulke dingen hoor?” En hij zocht naar een mogelijkheid om hem te zien.

Wat dreef Herodes om Jezus te zien te krijgen?
Was het een geboeid zijn door zijn figuur en zijn boodschap? Dat zal het ten dele ook wel geweest zijn. Dat kunnen we vermoeden uit die andere passage waar hij steeds in tweestrijd verkeerde als hij naar Johannes de doper luisterde.
Maar hier horen we vooral hoe het angst is die hem drijft. Hij wil zo graag alles onder controle houden. Hij wou immers op een goed blaadje staan bij de Romeinen, van wie hij eigenlijk alleen maar een vazal was. In wat hij over Jezus hoort, vreest hij de greep kwijt te raken – en daarmee ook zijn gezag (lees: macht).
Maar angst en vertrouwen staan nu eenmaal lijnrecht tegenover elkaar. Je leven durven bouwen op wat je ‘die vreemde man uit Nazaret’ hoort zeggen, vraagt een open vertrouwen. Angst kan dat alleen maar belemmeren.
En ik? Als ik eerlijk naar mezelf kijk: waar schuilt dan angst? Waar zou ík ‘controle moeten durven loslaten’? Waar zou ík ‘op een goed blaadje staan’ moeten durven loslaten?
Zal ik zoeken naar mogelijkheden om Jezus te zien – écht?

Lc.9,18-22 (24/09/2021)

Op zekere dag was Jezus aan het bidden op een eenzame plek.
Zijn leerlingen waren bij hem en hij vroeg hun: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Zij antwoordden: “Johannes de doper, anderen Elia, en nog anderen dat een van de vroegere profeten is opgestaan.”
“Maar jullie, vroeg Jezus, wie zeggen jullie dat ik ben?”
Petrus antwoordde: “De gezalfde [christos / messiah] van God!”
Maar hij drukte hen met klem op het hart dit aan niemand te zeggen. “Eerst zal de mensenzoon veel moeten lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen en gedood moeten worden en op de derde dag opgewekt zijn.”

“Op zekere dag was Jezus aan het bidden …” Het lijkt er te staan als openingszinnetje zonder veel belang. Maar niets is minder waar! In de Evangelies staat het vaak op zo’n ‘terloopse’ manier vermeld, maar de veelheid en de vaak scharnierende functie die het heeft in het verloop van Jezus’ leven, moeten ons doen beseffen dat ‘bidden’ een uitermate centrale plaats had voor hem.
Je kunt zijn gebed zien als ‘even weg uit de drukte om op adem te komen’. Dat klopt wel, maar dan moeten we ‘adem’ minstens met een hoofdletter schrijven. ‘Bidden’ was voor Jezus de navelstreng van heel zijn doen en laten, het ‘kanaal’ waarlangs de Kracht en Liefde van zijn Vader door hem heen stroomde naar de mensen rondom hem. En ook omgekeerd: waarlangs hij mensen bij de Vader bracht. Geen ‘wonder’ kon gebeuren zonder dat hij ‘in-gebed’ was.
De vraag die Jezus hier zijn leerlingen stelt, kan een theologische lijken, maar dan vergeten we dat ‘openingszinnetje’. Zelf staat hij in verbinding met zijn Vader. Waar hij naar vraagt is hoe het staat met de verbinding van zijn leerlingen met hém! Geen rationeel antwoord zoekt hij, maar een relationeel! Zijn zijn leerlingen ‘in-gebed’ in hem?
Ben ík ‘in-gebed’ in hem?