Verbonden Léven

Joh.14,1-6 (08/5/2020)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in mij.
In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo dan zou ik het u hebben gezegd,
want ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid kom ik terug
om u op te nemen bij mij, opdat ook gij zult zijn waar ik ben. Gij weet waar ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.'
Tomas zei tot hem: 'Heer, wij weten niet waar gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?' Jezus antwoordde hem:
'Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door mij.'

“Laat je hart niet verontrust worden!” Een krachtige boodschap vol troost (in de diepe betekenis van dat woord). (Het sluit ook naadloos aan bij onze ‘Psalm van de maand’, Psalm 62.)
En waarom is het volgens Jezus onnodig om verontrust te worden (in onze wereld en onze tijd is er toch meer dan reden genoeg om wél verontrust te raken)?
“Het huis van mijn Vader is ruim.” Door de uitdrukking ‘teruggekeerd naar het Vaderhuis’ zijn wij helaas gaan denken dat dit alleen over een eventueel leven na de dood gaat.
Maar dat zegt Jezus hier niet. Ja, die ruimte is zó wijd dat ze óók tot over onze fysieke dood heen reikt, maar het weze duidelijk dat dit niet alleen geldt ‘hierna’,
maar ook al ‘hier en nu’! Gods liefde is zo groot en krachtig dat het leven dat hij eruit laat voortvloeien ‘eindeloos’ breed en diep en hoog en rijk en krachtig en …
Lévend is – in wat voor situatie wij ook terecht komen.
En Jezus zelf is daar de garantie voor. Hij is “de weg, de waarheid en het leven”. Er IS dus een weg, er IS deze waarheid, er IS Léven … Dáárom moet mijn hart niet verontrust worden!

5de Paaszondag

Joh.14,1-12  (10/05/2020)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in mij.
In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo, dan zou ik het u hebben gezegd,
want ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid,
kom ik terug om u op te nemen bij mij opdat ook gij zult zijn waar ik ben. Gij weet waar ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.'
Tomas zei tot hem: 'Heer, wij weten niet waar gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?' Jezus antwoordde hem: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door mij. Als gij mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij hem en ziet gij hem.'
Hierop zei Filippus: 'Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.' En Jezus weer: 'lk ben al zo lang bij u en gij kent mij nog niet, Filippus?
Wie mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij is?
De woorden die ik u zeg, spreek ik niet uit mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in mij, zijn werk verricht.
Gelooft mij, ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Of gelooft het anders omwille van de werken. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u:
wie in mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat ik naar de Vader ga.'

 De Bijbellezingen van de zondagen volgen een beetje een ander schema dan die van de weekdagen. Hierdoor valt het nu eens wat ongelukkiger uit
dat we deze zondag eigenlijk hetzelfde Evangelie krijgen als dat van vrijdag en zaterdag samen.
Om het jullie (en ons 😉) niet moeilijk te maken, stellen we voor dat je de bijhorende commentaartjes van gisteren en eergisteren er opnieuw bij neemt.

 

Joh.14,7-14 (09/5/2020)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Als gij mij zoudt kennen zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij hem en ziet gij hem.'
Hierop zei Filippus: 'Heer, toon ons de Vader, dat is ons genoeg.' En Jezus weer: 'Ik ben al zo lang bij u en gij kent mij nog niet Filippus?
Wie mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij is?
Deze woorden die ik u zeg, spreek ik niet uit mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in mij, zijn werk verricht.
Gelooft mij, ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Of gelooft het anders omwille van de werken. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u:
wie in mij gelooft zal ook zelf de werken doen die ik doe. Ja grotere dan die zal hij doen omdat ik naar de Vader ga.
En wat gij ook zult vragen in mijn naam ik zal het doen opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon.
Als ge mij iets zult vragen in mijn naam zal ik het doen.'

“Wie mij ziet, ziet de Vader.” De transparantie die Jezus in zijn leven bereikte, is zo helder en ‘doorlatend’ dat zijn eigen leven dat van de Vader “toont”.
Dat ‘tonen’ is niet zomaar een plaatje of een duidend woord of een idee, maar iets heel daad-werkelijks. Hier zegt Jezus opnieuw: “Kijk niet naar mij! Kijk naar mijn werken! Daarmee zie je genoeg.”
Die transparantie van Jezus blijkt aanstekelijk te zijn. Waar wij óns leven leggen in dat lieve licht, ons laten door-stralen van zijn van-God-vervuld-zijn, daar worden wij gaandeweg (de weg die Jezus is)
zelf ook transparanter. Ook wij kunnen in onze ‘werken’ de Vader ‘tonen’. Dat zal natuurlijk wellicht nog maar ten dele zijn, maar waarom zouden we er daarom nog niet aan beginnen?!
We zullen grote dingen zien, ja nóg grotere … Waarmee meteen is aangegeven dat het niet om ‘spectaculaire’ dingen gaat, maar sprekend van grootheid, sprekend van de grootheid van God.

 

Joh.14,6-14  (1/5/2021)

“Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door mij.
Als je mij zou leren kennen, zou je ook mijn Vader leren kennen. Vanaf nu ken je hem; je hebt hem gezien!”
Filippus zei: “Heer, toon ons de Vader, dat is ons genoeg!” [Ps.23,2]
Jezus antwoordde hem: “Je bent nu al zo lang bij mij en je heb hem niet leren kennen, Filippus? Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Hoe kun je dan zeggen: Toon ons de Vader?! Geloof je niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij is? De woorden die ik tegen jullie spreek, spreek ik niet uit mezelf. Het is de Vader – die in mij verblijft – die zijn werken doet. Geloof mij dat ik in de Vader ben en de Vader in mij – en zo niet, geloof het dan vanwege de werken zelf.
Amen, amen, ik zeg jullie: Wie vertrouwt in mij zal de werken die ik doe, ook doen – en nog grotere dan deze, omdat ik naar mijn Vader ga.
Wat je ook zult vragen in mijn naam, ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zou worden. Als je dus iets vraagt in mijn naam, ik, ik zal het doen!”

‘Geloven’ gaat éigenlijk over ‘G-d leren kennen’. Het woord ‘leren’ duidt aan dat het wel even duurt – een leven lang. Het is veeleer de levenshouding van een groeiproces dan een statische toestand. Ook het ‘kennen’ is dus geen massief blok ‘wetenschappelijke kennis’, maar een dynamisch iets zoals je ‘iemand leert kennen’, of nog juister zoals een jongen en een meisje ‘met elkaar in kennis zijn’ (wetenschappelijke ‘feiten’ hebben hier niet veel te bieden, terwijl liefde wél een feit is).
Op díe weg wil Jezus ons meenemen. Hij ís een weg naar G-d, naar ‘waarheid’, naar ‘kennis’ over het leven!
Dit soort taal kan vaag lijken – waarmee sommigen al rap zeggen dat het over niets gaat. Maar mysterievolheid is niet hetzelfde als vaagheid. Alleen kun je er niet op afstormen met ‘wetenschappelijke duidelijkheid’. Je kunt het alleen behoedzaam – schroomvol – benaderen langs de (tragere) weg van het groeiproces. Elke dag een lepeltje voedsel langs verbondenleven (mag ook langs een andere weg 😊) én dat vertalen in ‘grotere werken’ (dat zijn niet noodzakelijk ‘grote’ werken, maar wel zaken waarin ik me boven mezelf uittil, dankzij Jezus’ weg en waarheid) leert ons ‘gaandeweg’ G-d kennen …

Joh. 14, 15-21 (17/05/2020)

 In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Als gij mij liefhebt, zult ge mijn geboden onderhouden.
Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere helper geven om voor altijd bij u te blijven:
de Geest van de waarheid voor wie de wereld niet ontvankelijk is omdat zij hem niet ziet en niet kent.
Gij kent hem, want hij blijft bij u en zal in u zijn.' Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug.
Nog een korte tijd en de wereld ziet mij niet meer; gij echter zult mij zien, want ik leef en ook gij zult leven.
Op die dag zult gij weten, dat ik in mijn Vader ben en gij in mij en ik in u. Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen,
hij is het die mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook ik zal hem beminnen en ik zal mij aan hem openbaren.'

Vorige zondag hoorden we Jezus zeggen dat hij de weg, de waarheid en het leven is. Vandaag wordt ons gegarandeerd dat hij de Vader zal vragen
om de Geest van waarheid te zenden, zijn Geest dus, een Helper die blijft. Maar niet aan iedereen, want er is een probleem.
De wereld is namelijk niet gericht op deze waarheid. Ze staat er zelfs helemaal niet voor open. Toen niet en nu nog steeds niet.
Kijk maar even rond (coronatijden of niet). Het is duidelijk dat onze maatschappij niet kiest voor verbondenheid, niet voor een liefde die leven geeft,
niet voor een liefde die gericht is weg van jezelf naar de a(A)nder toe. Deze maatschappij zal dus de Geest niet zien, niet kennen.
Maar hij wordt wél gegeven, die Geest, aan éénieder die de sprong waagt en zich verbindt met G-d’s Liefde. En die Geest zal je helpen om verder te groeien in Liefde,
Verbondenheid zodat je gaandeweg (de weg die Jezus is) Christus zal kunnen ontwaren in je dagelijkse leven.

Joh.14,21-26  (11/05/2020)

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Wie mijn geboden onderhoudt die hij heeft ontvangen, hij is het die mij liefheeft.
En wie mij liefheeft zal door mijn Vader bemind worden; ook ik zal hem beminnen en zal mij aan hem openbaren.'
Judas - niet Iskariot - zei tot hem: 'Heer, hoe komt het dat gij uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?'
Jezus gaf hem ten antwoord: 'Als iemand mij liefheeft zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben
en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Wie mij niet liefheeft onderhoudt mijn woorden niet;
het woord dat gij hoort is niet van mij maar van de Vader die mij gezonden heeft. Dit zeg ik u terwijl ik nog bij u ben,
maar de helper, de heilige Geest die de Vader in mijn naam zal zenden, hij zal u alles leren en u alles in herinnering brengen wat ik u gezegd heb.'

De evangelist Johannes hamert vandaag op een principe dat eigenlijk oer-Joods is, terwijl hij toch schrijft al zo’n kleine honderd jaar na Jezus.
Blijkbaar is het principe even goed oer-Christelijk. Het gaat om de innige en niet te verbreken band tussen de liefde tot God en het onderhouden van de geboden.
Wie alleen maar zijn liefde tot God uitdrukt in mooie woorden, zonder daar concrete daden aan te koppelen, noemt Johannes in zijn brieven zelfs een leugenaar!
Die onverbreekbare band tussen de liefde en de geboden is er, omdat ze beide slechts één en dezelfde oorsprong hebben:
namelijk God zelf, wiens ‘woord’ ook nooit zomaar een vrijblijvend woord is, maar telkens een krachtig scheppingswoord:
Zijn liefde brengt alles tot bestaan; “Hij spreekt en het is!”.
Als wij díe liefde dan zo in ons scheppend werkzaam laten zijn, dan kan het niet anders dan dat onze wederwoorden van liefde tot Hem ook overvloeien in wederdaden van liefde.
En de geboden zijn daar een betrouwbare en concrete leidraad voor.