Verbonden Léven

Joh.2,13-22 (9/11/2021) 

Pesach, het Joodse Paasfeest, was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. Op het tempelplein trof hij de verkopers van runderen, schapen en duiven aan en ook de geldwisselaars. Hij maakte van touwen een zweep en dreef allen de tempel uit, met hun schapen en runderen. De tafels van de geldwisselaars wierp hij om en hun munten rolden over de grond. Tegen de duivenverkopers zei hij: “Doe dat weg van hier! Maak van het huis van mijn Vader geen marktplaats!”
Zijn leerlingen her-innerden zich dat er geschreven staat: De ijver voor jouw huis heeft mij verteerd. [Ps.69,10]
Enigen uit de omstaanders ondervroegen hem nu: “Welk teken kun jij ons tonen dat je zoiets mag doen?” Jezus antwoordde hen: “Verwoest het binnenste van deze tempel en in drie dagen zal ik het doen verrijzen.” Zij zeiden nu: “Zesenveertig jaar is er aan deze tempel gebouwd en jij zult hem in drie dagen doen verrijzen?” Maar hij sprak over het binnenste van de tempel dat zijn lichaam was.
Toen hij later uit de doden verrezen was, her-innerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij vertrouwden op de Schrift en op het woord dat Jezus had gesproken.

Het liturgisch feest dat vandaag gevierd wordt, kan wat ver van ons bed lijken. De basiliek van Lateranen is de eerste officieel erkende kerk van de bisschop van Rome, ingewijd in 324. Toch heeft dit een interessante boodschap, zeker als je ziet welk Evangelie men gekozen heeft voor dit feest. Men had begrijpelijkerwijze iets triomfantelijks kunnen lezen, of zeker ook iets van vreugde en dankbaarheid. Maar men leest net die passage waar Jezus erg kritisch is voor wie tempels bouwt!
Jezus is niet tégen een tempel. Integendeel, hij had er al als kind graag vertoefd, en ook als volwassene komt hij er vaak. Maar hij hoopt wel vurig (!) dat het een ontmoetingsplaats is met G-d, niet dat men die verlaagt voor eigen zaakjes.
Het zou in onze moeilijke tijd een passend criterium kunnen zijn bij de vraag wat kan of niet kan in een kerkgebouw!, waarbij ‘G-dsontmoeting’ zeker breed mag geïnterpreteerd worden, maar eigenbelang ook duidelijk geweigerd. En als het primair om G-dsontmoeting gaat, dan zou zeker moeten gepleit worden voor meer open kerken – letterlijk én figuurlijk!

Joh.21,1-19 (1/05/2022)

Na dit alles toonde Jezus zichzelf opnieuw aan de leerlingen bij het meer van Tiberias. [= het meer van Galilea] Dit verliep als volgt:
Simon Petrus, Tomas de tweeling, Natanaël van Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en twee andere van zijn leerlingen waren er bijeen. Simon Petrus zei: “Ik ga vissen.” En zij antwoordden: “Dan gaan wij met je mee.” Ze klommen in de boot, maar die nacht vingen ze niets. Toen het al ochtend begon te worden, stond Jezus aan de oever. De leerlingen wisten echter niet dat het Jezus was. Jezus zei hen: “Jongens, hebben jullie iets voor bij het eten?” Ze antwoordden hem: “Nee …!” Nu zei hij hen: “Werp het net uit naar de rechterkant van de boot en je zult wat vinden.” Ze deden dat, maar konden het net niet meer optrekken door de grote hoeveelheid vissen.
De leerling, die Jezus erg genegen was, zei tegen Petrus: “Het is de Heer!” Toen Simon Petrus dit hoorde, trok hij zijn bovenkleed weer aan en sprong in het water. De andere leerlingen kwamen met het bootje. Ze waren niet ver van het land, ongeveer tweehonderd el [= ca. 100m] en sleepten het net met de vissen mee. Toen ze aan land stapten, zagen ze een houtskoolvuur met vis erop en brood. Nu zei Jezus: “Breng wat van de vissen die je nu gevangen hebt.” Simon Petrus klom in de boot en trok het net op het land. Het zal vol grote vissen: honderddrieënvijftig, en ondanks de grote hoeveelheid scheurde het net niet. Jezus zei hen: “Kom eten.” Niemand van de leerlingen durfde hem te vragen ‘wie ben jij’, terwijl ze wel wisten dat het de Heer was. Maar Jezus nam het brood en gaf het hun. Zo ook met de vis.
Dit was de derde keer dat Jezus zich aan de leerlingen toonde sinds hij was opgestaan uit de dood.
Nadat ze gegeten hadden, zei Jezus tegen Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb je mij daad-werkelijk lief, meer dan de anderen hier?” Hij antwoordde: “Ja, Heer, Je weet dat ik van jou houd.” Jezus zei hem: “Weid mijn lammeren.” En opnieuw vroeg hij hem: “Simon, zoon van Johannes, heb je mij daad-werkelijk lief?” Hij antwoordde: “Ja, Heer, Je weet dat ik van jou houd.” Jezus zei hem: “Wees herder voor mijn schapen.” En voor de derde keer vroeg hij hem: “Simon, zoon van Johannes, hou je van mij?” Petrus werd bedroefd omdat hij dit voor de derde keer vroeg. Hij zei: “Heer, jij weet alles. Jij weet dat ik van je houd.” Nu zei Jezus: “Weid mijn schapen. Amen, amen, ik zeg jou: Toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging je waar je wilde, maar wanneer je oud wordt, zul je je handen uitstrekken en een ander zal je omgorden en je brengen waar je niet wil.” Zo duidde hij aan met wat voor dood hij God zou grootsmaken. Toen zei hij nog: “Volg mij.”

“Heb jij mij lief?“ dat is de vraag die Jezus vandaag stelt aan Petrus, maar ook aan ieder van ons. Voor Jezus is herder zijn alleen maar mogelijk vanuit de liefde voor G-d, door dienstbaar te zijn en zo een gegeven mens te worden voor anderen. Jezus écht beminnen (niet op eigen kunnen maar als geschenk van G-d), is intreden in een andere wereld, in de wereld van G-d. Tot driemaal toe stelt Jezus de vraag: “Hou je van mij?”, want liefhebben vanuit G-d is een groeiproces. Het vraagt tijd en inzicht om jezelf te leren geven en je te laten leiden door wat go(e)d is, niet voor jezelf alleen, maar in de eerste plaats voor de anderen.
Nadien krijgt Petrus (en ook wij) liefdevol zijn opdracht toegezegd. “Hoed mijn schapen, ga aan het werk”, niet je eigen werk maar wel de verderzetting van wat Jezus begonnen is.
Het kan als je hart maar jong genoeg is om écht lief te hebben, te (h)erkennen en de nederige weg te gaan die Jezus ging. Vertrouwvol zal je op weg gaan en je dagelijks werk zal voltooid worden met zijn Aanwezigheid.

Joh.10,27-30 (8/05/2022)

“Mijn schapen geven gehoor aan mijn stem.
Ik ken ze
en zij volgen mij.
En ik geef ze volheid van leven,
in der eeuwigheid gaan ze niet verloren,
en niemand zal ze uit mijn hand roven.
Wat de Vader mij gegeven heeft,
is groter dan alles,
en niemand is bij machte
te roven uit de hand van mijn Vader.
En ik en de Vader zijn één.”

Uitermate korte woorden –
voor een uitermate intiem en teder gebeuren:
Wij zijn allen in de hand van G-d
(wordt dat ook niet zo ons toegezegd bij ons doopsel?!),
en omdat Jezus ín G-d is
weidt hij ons daar
naar volheid van leven,
niet met macht en majesteit,
maar louter met de toon van zijn stem
en de zorg van de herder.
Als wij meegeven,
ingaan op dit intieme gebeuren,
wat kan ons dan tegengaan?
Dán worden wij vrije mensen,
kinderen van G-d,
één met alles en allen,
ín G-d.

Joh.14,21-16 (16/05/2022)

Wie mijn wijzingen waar maakt, die is het die mij daad-werkelijk liefheeft. En wie mij daad-werkelijk liefheeft, hem(/haar) zal mijn Vader daad-werkelijk liefhebben. En ik zal hem daad-werkelijk liehebben en mijzelf aan hem(/haar) openbaren.
Judas, niet die van Keriot, vroeg hem: “Heer, hoe komt het dat je je wel aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?”
Jezus antwoordde hem: “Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord be-waren [= vasthouden door waar te maken] en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen bij hem komen en ons verblijf bij hem maken. Wie mij niet liefheeft, maakt mijn woorden niet waar. En het woord dat je hoort, is niet míjn woord, maar dat van mijn Vader, door wie ik gezonden ben.
Deze dingen heb ik tegen jullie gezegd terwijl ik bij jullie verbleef. Later zal de medestander, de heilige Geest die de Vader zal zenden in mijn naam, jullie alles leren en in her-innering brengen wat ik tegen jullie heb gezegd.

Dit is een mooi staaltje van wat wederzijdsheid in een relatie ten diepste kan betekenen, nl:
Verlangen om de ander te leren kennen.
Jezelf laten kennen in al je kwetsbaarheid.
Elkaar graag zien en aan elkaar het anders-zijn gunnen, het aanvaarden en als een meerwaarde durven zien voor het geheel.
Alles doen zodat die ander kan en mag leven en in z’n waardigheid gebracht wordt.
Op die wijze daad-werkelijk in relatie durven gaan vanuit die wederzijdse liefde zou heel wat intermenselijke relaties doen herleven.
Voor Jezus gaat de wederzijdsheid zo ver dat hij één wordt, één met de Vader en één met ons mensen (als wij dit toelaten). Maar hij weet ook dat dit menselijk gezien een lastige zaak is (we zien onszelf zo graag). Dus laat hij ons niet alleen achter. Hij belooft een medestander, die ons zal be-geesteren, zodat wij in staat zijn om te her-inneren wat hij ons heeft voorgezegd en voorgedaan.

Joh.16,12-15 (25/05/2022)

Nog veel zou ik jullie willen zeggen, maar je bent nu nog niet bij machte ze te dragen. Maar wanneer díe [de Medestander] komt, de Geest van de waarheid, zal hij jullie de weg wijzen in alle waarheid. Want hij zal niet uit zichzelf spreken, maar hij zal uitspreken wat hij hoort en jullie verkondigen wat komt. Hij zal mij eren door te verkondigen wat hij van mij hoorde.
Alles wat de Vader heeft, is het mijne. Daarom zei ik dat hij zal verkondigen wat hij van mij hoorde.

Door de ‘logische’ opeenvolging van Pasen-Hemelvaart-Pinksteren kunnen we wellicht makkelijk denken dat het ook in de kerk en in ons eigen leven over zo’n nette opeenvolging van feiten gaat: Jezus kwam, ging, en stuurde (in de verleden tijd) ons zijn Geest om ons nu te helpen.
Maar zou dat niet eerder een dynamiek zijn die telkens opnieuw in het leven van elke gelovige zich afspeelt, en niet één keer, maar meerdere keren – voortdurend eigenlijk, zolang wij ons laten stuwen door de Geest?
Dat we Jezus aanwezig weten in ons leven, herkennen we in perioden toch wel; dat hij zich in andere perioden uit ons leven lijkt terug te trekken, herkennen we helaas ook maar al te goed. Maar herkennen we ook dat wij daartussendoor ‘begeesterd’ worden, dat wij een Kracht als stuwing en medestanding ontvangen en mogen beleven, dat wij ‘wegen gewezen worden’, …
Allemaal niet zo netjes afgebakend in ons leven. Dat is omdat wij nog te ‘groeien’ hebben. Wij zijn nog niet bij machte de volle wasdom van een leven in G-d te dragen. Maar als wij ons láten leiden door de Geest, zullen wij waarachtig groeien.

Joh.17,20-26 (29/05/2022)

Niet alleen voor hen bid ik,
maar ook voor wie door hún woord
nog zullen vertrouwen in mij;
opdat allen één zijn, Vader,
zoals Jij in mij
en ik in Jou;
opdat ook zij in ons één zijn;
opdat de wereld zou geloven
dat Jij mij hebt gezonden.
En ik heb de grootsheid die Jij mij gegeven hebt
ook aan hen gegeven;
opdat zij één zijn
zoals wij één zijn;
ik in hen
en Jij in mij
opdat zij voltooid zouden zijn tot één;
en opdat de wereld erkent
dat Jij mij gezonden hebt
en hen daad-werkelijk hebt liefgehad
zoals Jij mij hebt liefgehad.
Vader,
diegene die Jij mij gegeven hebt,
het is mijn bedoeling
dat ook zij zijn waar ik ben
samen met mij;
opdat zij aanschouwen mijn grootsheid
die Jij mij gegeven hebt
omdat Je mij hebt liefgehad
nog vóór de grondvesting van de wereld.
Integere Vader,
de wereld heeft Jou niet erkend,
maar ik heb Jou erkend
en dezen hebben erkend
dat Jij mij gezonden hebt;
en ik heb hen
Jouw naam bekend gemaakt
en zal die blijven bekend maken
opdat de daad-werkelijke liefde
waarmee Jij mij hebt liefgehad
ook in hen is
en ik in hen.

Het kan enigszins verrassend zijn net dít Evangelie te horen op de zondag voor Pinksteren. De Geest komt er helemaal niet in voor!
Is dat zo? Eigenlijk alleen maar als woord is de Geest er niet in aanwezig! Voor de rest ademt (!) de hele tekst net Geest! Herlees nog even het commentaar van vorige zondag: daar stond het ook al hoe de innige band tussen Jezus en zijn vrienden net die Geest ís.
Hier gaat Jezus dus ook heel innig ín dat verband (Verbond) staan: hij bidt voor zijn vrienden – de wereldwijd ruime kring leerlingen waar wij ook bijhoren! – bij zijn Vader. Zo wordt hij ‘bemiddellaar’, ‘doorstroomkanaal’ van G-ds Geest naar de mensen – én vice versa. Het is een eenheid die wij als leerling dus ook mogen beleven en doorgeven.
Dat kan groots klinken – dat ís ook groots – maar net tot dat grootse zijn wij als kleine mens geroepen. Zó innig lief heeft G-d ons!
Zal ik mij openstellen, heel-hartig, zodat zijn Geest door mij heen mag waaien en mij innerlijk beroeren tot zijn Liefde?