Verbonden Léven

Mc.3,20-21 (23/1/2021)

Hij ging naar huis en opnieuw kwam er zoveel volk samen dat ze geen kans hadden om te eten.
Toen zijn verwanten dit hoorden, gingen ze naar hem toe om hem mee te nemen, want men zei dat hij buiten zijn zinnen was.

Je zou dit mini-stukje Evangelie kunnen lezen als een verwijt dat Jezus’ verwanten eigenlijk niet begrepen waar hij mee bezig was.
Behalve dat dat waar kan zijn (hoe vaak begrijpen wíj waar Jezus mee bezig is?), is misschien toch de vraag of wij niet te snel in tegenstellingen denken.
Zijn Jezus’ verwanten hier tégen hem? Misschien komt hun actie wel voort uit een grote zorg voor hem én zijn boodschap?!
Het is een absolute blijk van betrokken liefde om de mensen om wie je geeft van eten te voorzien!
Des te meer wanneer je merkt dat dat verwaarloosd raakt, om wat voor reden dan ook.
En ook des te meer als die mens een taak heeft naar zijn/haar medemensen toe, maar dat zonder eten het zou dreigen dat die taak niet meer kan vervuld worden.
Als mens (des te meer als Christen) zijn wij allen verwanten van elkaar. Enige liefdevol betrokken zorg is alleen maar op zijn plaats.
Laten we elkaar dus maar wat van ‘eten’ voorzien, onder welke vorm ook (want “de mens leeft niet van brood alleen”).

 

Mc.3,31-35 (26/1/2021)

Nu kwamen zijn moeder en broers naar hem toe. Buiten staande, zonden ze iemand om hem te roepen.
Er zat een menigte rond hem. Ze zeiden: “Kijk, je moeder en broers staan buiten en zoeken je.”
Hij antwoordde hun: “Wie is mijn moeder? Wie zijn mijn broers?”
En rondkijkend naar al wie in een kring rondom hem zat, zei hij: “Kijk … mijn moeder en mijn broers …!
Want al wie de bedoelingen van God doet, die is mijn broer, mijn zus, mijn moeder.”

“de bedoelingen van God” … In het Bijbelse Grieks staat hier een woord dat meestal vertaald wordt met ‘de wil van God’.
Ook in het Nederlands verbergt het woord ‘willen’ echter twee verschillende accenten,
waarvan het nu net uitdrukkelijk Jezus’ boodschap is dat beide zouden sámenvallen i.p.v. tegengesteld zijn.
‘Willen’ kan vanuit mezelf komen. Dan zouden wij in Vlaanderen zeggen: Ik heb goesting in …
Maar ‘willen’ kan ook komen vanuit de richting die ik nog te gaan heb. Dan ligt het ‘willen’ niet in mij, maar voor mij uit.
Ook G-d kijkt ‘voor zich uit’. Hij heeft een bedoeling (wens dus) met de wereld en de mensen.
En heel Jezus’ boodschap – samengebald in het Onze Vader – komt er op neer dat ik ‘mijn wil’ zou laten samenvallen met ‘zijn wil’ (ttz: zijn bedoeling).
Wie is aan Jezus verwant? Wie net als hij probeert te beantwoorden aan die bedoelingen.
– en net zoals in elke familie slaagt niet iedereen daar op dezelfde manier in …

 

Mc.4,1-20 (27/1/2021)

Opnieuw begon Jezus onderricht te geven langs het meer.
Er verzamelde zich zo’n menigte rondom hem, dat hij in een boot stapte en daarin ging zitten, op het meer,
terwijl de menigte op het land langs het meer bleef. Hij onderrichtte vaak in gelijkenissen.
Nu zei hij in zijn onderricht tegen hen:
“Luister! Kijk, een zaaier ging uit om te zaaien. En het gebeurt, tijdens het zaaien, dat een deel op de weg viel.
De vogels kwamen en aten het op. Een ander deel viel op steenachtige grond waar het niet veel aarde had.
Onmiddellijk kwam het op, omdat het niet veel diepte had, maar toen de zon opkwam, verschroeide het, omdat het geen wortel had.
Een ander deel viel tussen de dorens. Die kwamen op en verstikten het, zodat het geen vrucht gaf.
Een ander deel viel in goede aarde. Opkomend en groeiend, gaf het vrucht, deels dertig-, deels zestig-, deels honderdvoudig.”
En hij besloot: “Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
Maar toen hij alleen was, stelden zij die samen met de twaalf bij hem waren, hem vragen over de gelijkenissen.
Hij zei hen: “Aan jullie is het gegeven het geheimenis van het koningschap van God te kennen,
maar voor wie buiten staat, gebeurt dit in gelijkenissen. opdat [vervuld zou worden wat geschreven staat, dat]
zij kijken, maar niet zien, en horen, maar niet begrijpen, opdat zij zich niet hoeven te bekeren en hun zonden vergeven worden.” [Jes.6,9-10]
Verder zei hij tegen hen: “Als jullie de kunst niet verstaan van deze gelijkenis, hoe zul je dan alle gelijkenissen vatten?
De zaaier zaait het woord. Sommigen zijn als [het zaad dat] op de weg [valt]:
Het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer zij het gehoord hebben, komt onmiddellijk de tegenstander [satan] en neemt het woord weg dat in hen is gezaaid.
Anderen zijn als [het zaad dat] op steenachtige grond [is gezaaid]: Wanneer zij het woord horen, nemen zij het onmiddellijk in vreugde aan,
maar zij hebben geen wortel – het zijn mensen van het moment. Wanneer er vervolgens omwille van het woord verdrukking of vervolging komt,
struikelen ze onmiddellijk. Anderen zijn als [het zaad dat] tussen de dorens [is gezaaid]:
Zij horen het woord, maar de zorgen van deze wereld, de begoocheling van de rijkdom en de begeerte naar allerlei zaken dringen binnen en verstikken het woord
en het blijft vruchteloos. Anderen zijn als [het zaad dat] in de goede aarde [valt]: Zij horen het woord en verwelkomen het.
Zij dragen vrucht, soms dertig-, soms zestig-, soms honderdvoudig.

 Hij kan het niet laten. Telkens weer geeft Jezus onderricht over ‘het koningschap van God’.
En telkens weer is er een menigte die zich rondom hem verzamelt, een menigte die hem wil ‘horen’.
Met zijn spreken in gelijkenissen, probeert hij zo dicht mogelijk aan te sluiten bij hun leefwereld.
Hij plukt elementen uit hun dagelijkse realiteit om iets te duiden van datgene wat is maar nog niet gezien wordt:
het’koningschap van God’ en dit in de hoop dat ze het – van binnenuit – verstaan.
Nochtans weet hij dat er meer nodig is dan ‘horen’ om tot de kern van de zaak door te dringen.
Er moet ook ‘geluisterd’ worden en dat is – zo zegt hij zelf – gegund aan wie leerling wil zijn.
Luisteren dus met het hart van een leerling: open, ontvankelijk en gericht op G-d.
Al luisterend wordt er een tipje van de sluier opgelicht, het geheimenis van een G-d die zich eindeloos uitstrooit, meedeelt, aanbiedt,
wordt stap voor stap ontsloten. Een G-d die niet op zoek gaat naar vruchtbare grond maar onvoorwaardelijk geeft en doet leven, vol vertrouwen en vruchtbaar.

Mc.4,21-25 (28/1/2021)

Ook zei hij tegen hen: “Men brengt toch geen lamp om haar onder een korenmaat [emmer] te zetten of onder een bed? Z
al zij niet op een staander worden gezet?
Want niets is verborgen dat niet zichtbaar zal worden; niets is geheim dat niet openbaar zal worden.
Wie oren heeft om te horen, moet luisteren!”
Verder zei hij: “Let op wat je hoort! Met de maat waarmee je meet, zal ook voor jou gemeten worden – en zelfs nog daar bovenop.
Want wie [de houding van de leerling] heeft,
hem zal [de kennis van Gods koningschap] gegeven worden.
En wie niet [de houding van de leerling] heeft,
hem zal zelfs nog ontnomen worden
wat hij dacht [aan kennis over Gods koningschap] te hebben.

Al sprekend in gelijkenissen neemt Jezus het perspectief aan van zijn toehoorders en vertelt hij over het rijk van God.
Heel de menigte zal beamen dat je een lamp niet zomaar ergens neerzet.
Je zet ze op die plek waar ze het duister verdrijft en waar ze de ruimte (van leven) verlicht.
Het verhaaltje klinkt vertrouwd in hun oren, maar hebben ze het begrepen? Hebben ze geluisterd?
Tussendoor biedt hij aan zijn leerlingen (aan ons?) de kans om zelf van perspectief te wisselen.
Doe wat moet gedaan. Laat het koningschap oplichten. Zie, hoor en voel hoeveel go(e)d er gebeurt tussen mensen, in relaties.
En weet dat dit alles niet te meten is met menselijke maatstaven. De maat die hier gebruikt wordt is de maat van de (goddelijke) liefde.
Daarom beveelt hij hen (ons) het volgende aan
Let, op wat je hoort.
Let, op de manier waarop je luistert.
Laat los dat wat je hebt en treedt binnen in de goddelijke logica.
Zo zal wat je hebt intenser worden en zichtbaar. Het zal jou doen leven en leven geven aan anderen.

Mc.4,26-34 (29/1/2021)

Verder zei hij: “Zo is het koningschap van God: Als iemand die zaad uitstrooit op de aarde:
hij slaapt en staat op, nacht en dag, en het zaad ontkiemt en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe.
Want uit de in zichzelf aanwezige kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de halm, dan de aar, dan het volle koren.
En wanneer de vruchten rijp zijn, slaat hij er onmiddellijk de sikkel in omdat de oogst is aangebroken.”
Verder zei hij: “Waarmee zouden we het koningschap van God vergelijken? Welk beeld kunnen we ervoor gebruiken?
Het is als een mosterdzaadje: Wanneer het in de aarde wordt gezaaid, is het kleiner dan alle zaden op aarde,
maar wanneer het is gezaaid, ontkiemt en groeit het en wordt groter dan alle tuingewassen en
er komen grote takken aan zodat de vogels zich in hun schaduw kunnen nestelen.”
Met vele zulke gelijkenissen verkondigde hij hun het woord, naarmate zij in staat waren het te horen.
Alleen in gelijkenissen sprak hij tegen hen, maar apart met zijn leerlingen, gaf hij hen van alles uitleg.

Deze boer zou de mascotte kunnen zijn van een of ander relaxatie- of onthaastingscentrum.
Hij zaait en wacht. Hij wordt niet ongeduldig of manipuleert het groei en rijpingsproces niet.
Hij zaait en wacht. Hij laat ontkiemen en groeien dat wat hij aan de aarde heeft toevertrouwd.
Een boer met pedagogische allures die kansen biedt, nabij blijft, niet ingrijpt van buitenaf, maar geduldig laat gebeuren.
Hij vertrouwt op de innerlijke kracht en laat ze groeien van binnenuit.
Of met ander woorden: Doe wat je ’kan’ en wat je ‘moet’ doen, meer wordt er van jou niet verwacht.
Het is alsof Jezus zegt: ”Het zaad zal wel blijven groeien terwijl de boer slaapt! Jij moet er je slaap niet voor laten.
Meer nog, voegt Jezus eraan toe, handel en vertrouw. Je mag erop vertrouwen dat dit koningschap toekomst heeft,
ook al is het begin klein, zo klein als een mosterdzaadje. Het zal openbloeien op eigen spontane wijze.
En wij, wij krijgen de tijd om te horen, te leren luisteren ieder op z’n eigen ritme, z’n eigen tijd.

Mc.4,35-41 (30/1/2021)

Op diezelfde dag, toen het avond was geworden, zei Jezus tegen zijn leerlingen:
“Laten we naar de overkant van het meer gaan.” Ze lieten de menigte gaan en namen hem mee,zoals hij in de boot zat.
Ook andere bootjes waren bij hem.
Er stak een hevige stormwind op en de golven stortten zich op de boot, zodat die al vol liep.
Hij lag ondertussen op het achterschip, op een kussen, te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: “Meester, raakt het jou niet dat we vergaan?”
Nu wakker geworden, strafte hij de wind af en zei tegen het meer: “Zwijg! Wees stil!” En de wind bedaarde en er ontstond een grote stilte.
Hij zei tegen hen: “Waarom zijn jullie zo bang? Hoe kunnen jullie nog zo zonder vertrouwen zijn?”
Zij echter werden erg bevreesd en zeiden tegen elkaar: “Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?”

“Het was avond geworden.” Je kan het de laatste maanden concreet zien gebeuren. Storm steekt op. Je voelt het in de lucht.
Je ziet het aan de mensen, duisternis daalt neer. We zijn bang, weten niet meer wat te doen. Op onszelf teruggeworpen voelen we ons alleen.
Het lijkt alsof de a(A)nder slaapt, zich niets van ons aantrekt. Onrust, twijfel en onzekerheid, beheersen onze levens.
Op zo’n moment komt de vraag “Waarom zijn jullie zo bang? Hoe kunnen jullie nog zo zonder vertrouwen zijn?” stevig binnen.
Een kans (?) om, doorheen de storm, opnieuw te zien dat ons leven geweven en in stand gehouden wordt door gewone – meestal vergeten – mensen,
die ongevraagd (misschien ongeweten) doen wat moet gedaan. Zij die angst, onrust, twijfel en onzekerheid het zwijgen opleggen door nabij te zijn,
te laten voelen dat jij er voor hen toe doet. Kortom zij die hun leven delen en zo – als mede-scheppers – hoop en leven geven, net als hij.
En toch aarzelen we om te geloven – ook al ‘weten’ we – dat er een kracht van hem uitgaat die alles (ook de stormen) ten goede te keert.
En vragen ons af wie is hij toch?