Verbonden Léven

Lc. 11,1-4 (07/10/2020)

Eens was Jezus ergens aan het bidden. Toen hij opgehouden was, vroeg een van zijn leerlingen:
“Heer, leer ons bidden, zoals Johannes dat ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.”
Hij zei hen: “Telkens wanneer jullie bidden, zeg dan:
Abba [Vadertje],
laat geheiligd worden jouw naam,
laat komen jouw koninkrijk.
Geef elke dag weer
ons brood voor de komende dag,
en vergeef ons onze verwijdering [zonde]
– zelf vergeven wij ieder die ons iets schuldig is –
en laat ons niet ingaan op beproeving.”

Abba, Vadertje, zo spreekt Jezus G-d aan. Van bij het begin klinkt er een diepe verbondenheid door in zijn woorden.
G-d ‘als een vader’, geen afstandelijke, ongeïnteresseerde, hoog-verhevene, maar een nabije G-d.
Zo, vanuit die verbondenheid, mag je bidden en – in crescendo – vragen dat hij zou optreden.
Alleen híj kan er voor zorgen dat zijn naam, zijn diepste identiteit, gestalte krijgt.
Alleen híj kan dat nieuwe rijk vestigen en ervoor zorgen dat zijn wil, zijn diepste bedoeling, gerealiseerd wordt.
Nochtans hangt het niet alléén van G-d af. Bidden is een relationeel gebeuren, spreekt van verbondenheid!
Je kan immers niet ernstig bidden om de komst van het rijk, als je zelf niet bereid bent de consequenties die nodig zijn
om er binnen te gaan, te dragen. Je kan niet bidden om G-ds wil, als je niet bereid bent die zelf te volbrengen.
Je kan niet bidden om brood als je niet bereid bent het te geven aan wie het jou vraagt.
En je kan niet bidden om vergeving als je zelf onverzoenbaar blijft.
Zo leert hij ons bidden en laat ons binnentreden in die goddelijke relatie.

Lc.11,14-23 (11/3/2021)

Eens dreef Jezus een demon uit die stom was. Toen de demon verdreven was,
kon de stomme weer spreken. De omstaanders verwonderden zich daarover.
Sommigen zeiden: “Het is door Beëlzebul, de heerser van de demonen, dat hij demonen kan uitdrijven!”
Anderen – om hem op de proef te stellen – verlangden van hem een teken uit de hemel.
Maar hij wist welke gedachten bij hen leefden en zei daarom: “Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is,
raakt verwoest; het ene huis valt op het andere. Als nu de tegenstander [satan] zelf innerlijk verdeeld is,
hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? Want jullie zeggen dat ik door Beëlzebul demonen uitdrijf.
En als ik ze door Beëlzebul uitdrijf, door wie drijven jullie zonen ze dan uit?
Als jullie zo redeneren, zullen zij zelf jullie rechters zijn. Maar als ik door Gods kracht de demonen uitdrijf,
dan heeft het koninkrijk van God jullie bereikt!
Wanneer een sterke goed bewapend zijn domein bewaakt, dan is wat hem lijkt toe te behoren in vrede.
Maar zodra nu iemand komt die sterker is dan hij, overwint hij hem,
ontneemt hem de wapenrusting waarop hij vertrouwde en geeft weg wat hij op hem heeft buitgemaakt.
Wie niet mét mij is, is tegen mij, en wie niet met mij bijeenbrengt, die verstrooit.

In al hun verwondering blijven ze het ontzettend lastig hebben met die genezende kracht in Jezus. Het verwart hen. Aan de ene kant zien ze dat hij mensen bevrijdt van demonen die hen monddood maken en hen het zwijgen opleggen. Aan de andere kant weigeren ze aan te nemen dat die bevrijdende kracht van G-d komt. En Jezus ziet hun verwarring. Hij spoort hen aan om te leven uit één stuk, in één-voud. Laat je niet verstrooien, in verdeeldheid brengen, door welke demon dan ook. Geef hen geen vrij spel in jou maar richt heel je leven op G-d. Dan zal je niet van jezelf noch van elkaar verwijderd raken.
En weet: Die goddelijke kracht is bedoeld voor iedereen ook voor jou en mij. Het enige wat nodig is, is dat je je laat bevrijden – je laat vrij maken van alle demonen – en dan mét Jezus mee-gaat. Niet als een vroom voornemen maar heel concreet ‘mét Jezus zijn’, daar waar je woont en werkt. Mét Jezus leven tussen de mensen, samen-leven in Verbondenheid.

Lc. 11,29-32 (12/10/2020)

Toen er steeds meer mensen zich rondom hem bijeendrongen, zei Jezus:
“Deze generatie is een slechte generatie. Ze verlangt een teken, maar er zal haar geen ander teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet.
Zoals Jona een teken was voor de bewoners van Nineve, zo zal ook de mensenzoon dat zijn voor deze generatie.
Bij het oordeel zal de koningin van het zuiden opstaan samen met deze generatie en zij zal haar veroordelen.
Want zij kwam van de uiteinden van aarde om de wijsheid van [koning] Salomo te horen.
Kijk dan toch! Hier is méér dan Salomo!
Bij het oordeel zullen de bewoners van Nineve opstaan samen met deze generatie en zij zullen haar veroordelen.
Want zij hebben zich bekeerd door de prediking van Jona.
Kijk dan toch! Hier is méér dan Jona!”

Opnieuw horen we vandaag (én de komende dagen) Jezus nogal furieus uit de hoek komen.
We weten ondertussen dat hij dat doet als er aan heel wezenlijke dingen wordt geraakt en hij verdriet heeft om hun onbegrip.
Hier gaat het om een ‘vermogen’ dat mensen wel van hun Schepper gekregen hebben, maar o zo vaak niet gebruiken, ik bedoel: het ZIEN.
O ja, we zien vanalles (ook méér dan goed is – en dat trekt dan wél aan), maar nemen we het ook in ons op?
Verbinden we ons ermee? Niet om het op te slokken voor onszelf, maar om het in zijn eigen-waarde te laten en te laten bloeien?
Jezus verwijt ‘deze generatie’ (helaas is dat een tijdje blijven duren) dat ze wel vanalles zien, maar eigenlijk niets ZIEN,
en dan maar een ‘duidelijk’ teken vragen – en dat terwijl de mensenzoon onder hen rondloopt! Dat op zichzelf was inderdaad niet te zien:
Jezus loopt niet te koop met wie hij in wezen is. Maar aan zijn leven, zijn woorden en daden, is het maar al te wel te ZIEN.
Wie mét Jezus zou gaan (en niet alleen voor hem zijn), zou dat merken.
Kijk dan toch!

Lc.11,29-32 (24/2/2021)

Toen er steeds meer mensen zich rondom hem bijeen drongen, zei Jezus: “Deze generatie is een slechte generatie.
Ze verlangt een teken, maar er zal haar geen ander teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet.
Zoals Jona een teken was voor de bewoners van Nineve, zo zal ook de mensenzoon dat zijn voor deze generatie.
Bij het oordeel zal de koningin van het zuiden opstaan samen met deze generatie en zij zal haar veroordelen.
Want zij kwam van de uiteinden van aarde om de wijsheid van [koning] Salomo te horen. Kijk dan toch!
Hier is méér dan Salomo! Bij het oordeel zullen de bewoners van Nineve opstaan samen met deze generatie en zij zullen haar veroordelen.
Want zij hebben zich bekeerd door de prediking van Jona. Kijk dan toch! Hier is méér dan Jona!”

Jezus gebruikt weer stevige taal: “Deze generatie is slecht.” Ze verlangen iets dat hij hen niet kan geven.
Daarbij doet het hem verdriet dat hun ogen naar van alles en nog wat turen maar dat wat er écht toe doet, een teken, dat zien ze niet.
Kijk dan toch!
Het enige teken dat Jezus wil geven, vergelijkt hij met twee Bijbelse figuren: Jona en Salomo.
Jona liet zich meetrekken in een ver-reikend proces van loslaten, anders kijken en je overgeven.
Heb het lef (hart) om je te laten omvormen zoals de bewoners van Nineve.
Salomo liet G-ds onderscheidende wijsheid toe. Laat je overrompelen door de wij(d)sheid en de diepte van G-d en geef je eraan over.
Het is in onze tijd niet anders. Het zíen van waarachtige Godsgezanten vergt nog altijd enig onderscheidingsvermogen
en het niet-zien zal maar verdwijnen, als wij – in ons – plaats maken voor Góds wijsheid. Dán kan het gebeuren dat je plots,
totaal onverwachts tekens ontwaart van een diepere werkelijkheid, een goddelijke tegenwoordigheid.

 

Lc.11,27-28 (10/10/2020)

Toen hij zo aan het spreken was, verhief een vrouw uit de menigte haar stem
en zei hem: “Zalig de schoot die jouw gedragen heeft en de borsten waaraan jij hebt gedronken!”
Jezus antwoordde: “Ja, sterker nog: Zalig wie luisteren naar Gods woord en het be-waren!”

Een vrouw die van zich laat horen. Ze verheft haar stem, over alle aanklachten en negativiteit heen.
Het is duidelijk dat zij niet mee gaat in de verdachtmakingen, in het zaaien van verdeeldheid.
Zij is op een positieve wijze onder de indruk van Jezus’ woorden. En komt er ook heel spontaan voor uit.
Wat ze zegt, klinkt als volgt: ‘Zalig toch de vrouw die jou mocht dragen en grootbrengen.
Geweldig die moeder, zij mag zich gezegend weten met zo’n zoon …’ En Jezus bevestigt de vrouw in haar lofprijzing.
Inderdaad, gelukkig is zij. Maar daar houdt het voor hem niet op. Jezus maakt het breder – het is meer – het gaat boven alle familiebetrekkingen uit.
Dit zalig zijn, komt ieder van ons toe die het Woord van G-d hoort én het onderhoudt. Hij vestigt de aandacht op het samengaan van beiden:
het horen én het be-waren. Het doen waar-worden, in de praktijk brengen. Zalig wie het woord maakt tot ware feiten, tot waar gebeurt verhaal.
Dat is geen privilege, noch van Jezus noch van Maria. Het kan en zál voor ieder die het leeft.

Lc. 11,5-13 (08/10/2020)

En Jezus ging verder [nadat hij aan zijn leerlingen het gebed tot zijn Vader had geleerd]:
“Stel, je hebt een vriend en midden in de nacht ga je naar hem toe en vraagt:
“Vriend, leen mij drie broden, want een andere vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.”
Zou die dan van binnenuit antwoorden: “Doe mij die moeite niet aan!
De deur is al gesloten en mijn kinderen en ik zijn al in bed, ik kan niet opstaan om ze je te geven.”?
Ik zeg jullie: Zelfs al zou hij niet opstaan en het hem geven omdat het zijn vriend is,
dan nog zou de onbeschaamdheid hem oproepen en zal hij hem geven zoveel als hij nodig heeft.
Ik druk jullie op je hart:
Vraag en je zult krijgen, zoek en je zult vinden, klop en er zal je worden opengedaan.
Want iedere vragende ontvangt, iedere zoekende vindt, voor iedere kloppende zal er opengedaan worden!
Welke vader onder jullie zal, als je zoon om brood vraagt, hem een steen geven?
Als hij om vis vraagt, geef je hem toch geen slang?
Als hij om een ei vraagt, geef je hem toch geen schorpioen?
Als jullie dan – ook al zijn jullie slecht – goede gaven weet te geven aan jullie kinderen,
hoeveel te meer zal de hemelse Vader heilige Geest geven aan wie hem daarom vragen?!”

Straffe woorden! De realiteit leert mij nochtans dat ik deze uitspraak niet zomaar kan aannemen. Houdt het dan op voor mij?
Wordt G-d nutteloos als ik hem niet voor mijn karretje (of voor dat van anderen) kan spannen? Is een machteloze, zwijgende G-d dan nog de moeite waard?
Ja! Kijk naar wat er gebeurt in het leven.
Daar te midden van het leven stel ik vast hoe machteloos ik vaak ben en dat niemand ook maar iets kan veranderen aan wat mij overkomt.
Maar juist op die momenten besef ik dat het zo ontzettend leven-gevend is als er iemand is die luistert en nabij is, iemand die je begrijpt en ruimte geeft.
Ja dus, G-d mag machteloos staan tegenover de wetmatigheden van deze wereld (machtelozer nog dan wij mensen, want wij kunnen soms nog de dingen keren).
Onze G-d is immers die gans Andere, totaal anders dan wij. ‘Iemand’ die anders dan trouw, anders dan lief, anders dan troost, nabij is. Anders dan alles wat wij mensen zijn.
Daaraan wil ik mij verbinden. Aan hem wil ik blijven vragen, naar hem blijven zoeken. Bij hem wil ik blijven aankloppen, wetende dat er zál worden opengedaan.