Verbonden Léven

Lc.4,24-30 (8/3/2021)

Daarop zei hij: “Zeker, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad.
Naar waarheid zeg ik jullie: In de dagen van [de profeet] Elia waren er veel weduwen in Israël
toen de hemel gedurende drieëneenhalf jaar gesloten bleef zodat er grote hongersnood kwam over heel het land. Toch werd Elia naar geen van hen gezonden [om haar te redden van de hongerdood – 1 Kon.17]
maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon [= buiten Israël]. En ten tijde van de profeet Elisa
waren er veel melaatsen in Israël. Toch werd geen enkele van hen gereinigd maar wel de Syriër [= buitenlander] Naäman.” Allen die in de samenkomst [synagoge] waren en dit hoorden raakten overvol woede. Ze stonden op en wierpen hem buiten de stad.
Ze dreven hem naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem van de steilte te gooien.
Maar hij ging midden tussen hen door en trok weg.

Er is een duidelijke parallel tussen dit Evangelie en de uitnodiging die wij stelden in onze Vastenbrief (Vastenbrief). We daagden jullie uit uitdrukkelijk(er) te kijken naar de ‘Glimpen van Hoop en Verrijzenis’. Dat is net een uitdaging, omdat we ze zo vaak níet zien! Op dezelfde manier geeft Jezus aan dat een profeet niet herkend wordt als hij van te dichtbij komt.
Over de dingen en de mensen om ons heen hebben wij al heel snel (meestal zelfs vóór we het zélf weten) onze ideeën en oordelen klaar. Maar dat zijn gedachten en theorieën in óns hoofd, die niet noodzakelijk overeenstemmen met de werkelijkheid, waardoor wij die werkelijkheid niet meer zien zoals ze ís (maar zoals wij dénken dat ze is). En dat zorgt voor grote blinde vlekken om ‘profeten’ te zien en ‘glimpen van Hoop en Verrijzenis’!
En die twee hebben ook alles met elkaar te maken! ‘Profeten’ hoeven niet noodzakelijk ‘mensen’ te zijn: álles om ons heen dat ons verwijst naar G-d, ons soms ook eens wakker schudt of zelfs vermaant, kun je eigenlijk ‘profeet’ noemen – ook die ‘glimpen’ dus.
Om ze te zien zullen we wel moeten er onze ‘woede’ voor laten varen: de kwaadheid die we voelen (als we eerlijk zijn) als ons eigen idee onderuit gehaald wordt.
Dus n.a.v. dit Evangelie een hernieuwde uitnodiging om vandaag met open ogen en hart in het leven te staan – dán zullen we zien wat ís. (voorbeelden van ‘glimpen’ van de voorbije 2 weken)

 

Lc. 4,31-37 (1/09/2020)

In die tijd kwam Jezus in Kafarnaüm, een stad in Galilea, en trad daar op de sabbat voor de mensen als leraar op.
Zij waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, omdat Hij sprak met gezag.
Eens bevond zich in de synagoge een man die bezeten was door een onreine geest en luid begon te schreeuwen:
'Jezus van Nazaret, wat hebben wij met elkaar te maken? Ben Jij gekomen om ons in het verderf te storten?
Ik weet wie Jij bent: de Heilige Gods.'
Jezus voegde hem toe: 'Zwijg stil en ga van hem weg.' De boze geest slingerde hem tussen de mensen en ging van hem weg
zonder hem enig letsel te hebben toegebracht.
Ze stonden allen met verbazing geslagen en zeiden tot elkaar: 'Wat is dat voor een woord,
dat met gezag en macht aan de onreine geesten een bevel geeft, zodat ze weggaan?'
En zijn faam verspreidde zich over alle plaatsen van die streek.

Wat we gisteren in Nazareth hoorden, wordt hier in praktijk gebracht. Voor zijn toehoorders klinken zijn woorden
totaal anders dan wat ze gewoon zijn te horen. “Hij spreekt met gezag.” Er gaat dus duidelijk ‘iets van hem uit’!
Zó anders dan de rabbi’s van toen die hun zegkracht buiten zichzelf zochten. Die hun wijsheid uit boeken haalden
en ondertussen probeerden om met wetten en regels alles in goede banen te leiden.
Jezus daarentegen spreekt van hart tot hart. Hij laat zich leiden door gezag dat van ‘elders’ komt.
Hij spreekt vanuit een oeverloos ‘vertrouwen’ in een lévengevende G-d. Daar is geen demon tegen bestand.
Spreken vanuit een Léven-IN-vertrouwen bevrijdt, doet alle angst (demonen) verdwijnen en creëert een ongelooflijke ruimte om te spreken,
anderen toe te spreken. Niet om zijn gelijk te halen of zijn macht te tonen maar om te laten klinken wat zijn hart hem ingeeft.
Gedragen woorden waarop je kan en mag bouwen.

 

Lc. 4,38-44 (2/09/2020)

In die tijd verliet Jezus de synagoge van Kafarnaüm en ging het huis van Simon binnen.
Omdat de schoonmoeder van Simon hoge koorts had riepen ze voor haar zijn hulp in.
Hij kwam aan het hoofdeinde van haar bed staan en gaf een streng bevel aan de koorts.
Zij werd ervan bevrijd en ogenblikkelijk stond zij op en bediende hen.
Bij zonsondergang brachten allen hun zieken naar hem toe; die zieken leden aan velerlei kwalen.
Hij genas hen door ze een voor een de handen op te leggen. Uit velen gingen ook duivels weg, die schreeuwden:
'Gij zijt de Zoon van God.' Hij gaf een streng bevel en liet niet toe dat zij spraken, want ze wisten dat hij de Messias was.
Toen het dag geworden was ging hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats. De mensen zochten hem echter,
kwamen waar hij was en poogden hem vast te houden om te verhinderen dat hij hen zou verlaten. Maar hij sprak tot hen:
'Ik moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Godsrijk brengen, want daarvoor ben ik gezonden.'
En hij predikte in de synagogen van het Joodse land.

Was Jezus een wonderdoener en genezer? We horen er vele berichten over in de Evangelieverhalen.
Ongetwijfeld zouden wij met onze hedendaagse wetenschappelijke kennis sommige daarvan anders benoemen.
Ik vermoed zelfs dat Jezus zélf er helemaal geen moeite zou mee hebben misschien wel de grootste wonderkracht te noemen:
zijn pure liefdevolle aandacht voor de kwetsbare én zijn aanraken van de maatschappelijk onaanraakbare.
Maar Jezus heelde dus wel degelijk zieken.
En toch verre van allemaal! Niet eens daar in Kafarnaüm, een onooglijk dorp in een onooglijk land, op dat korte moment dat hij daar langskwam!
Hij wil ook naar de anderen. Maar ook die zal hij niet allemaal bereiken! Daarvoor is zijn tijd te kort en een fysiek mensenleven per definitie te beperkt.
Maar hij kan wél het gebaar stellen (van aandacht en aanraking) … opdat het zou dóórgaan en steeds meer mensen bereiken …
Zal ik het oppikken, het doen en het doorgeven?

Lc. 5,1-11 (3/09/2020)

Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennésaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen.
Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten,
die van Simon, en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk.
Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon: “Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.”
Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen; maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.”
Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten dat deze dreigden te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen.
Toen die gekomen waren vulden zich de beide boten tot zinkens toe.
Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.”
Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en van allen die bij hem waren, vanwege de vangst die ze gedaan hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes,
de zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Jezus echter sprak tot Simon: “Weest niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.”
Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen.

Ik ben in de verste verten niet vertrouwd met vissen om te weten wat zich hier juist afspeelt; en ik vermoed dat de evangelist Lucas dat ook niet wist.
Het gaat er hier dus niet om dat Jezus die doorwinterde vissers eens een lesje zou leren, of dat hij het allemaal beter weet of een spectaculair wonder
zou willen doen (dit zijn allemaal uitleggingen die je wel eens hoort).
Voor mij zit de kern van dit gebeuren in Jezus vraag: “Vaar naar het diepe en gooi dáár je netten uit voor de vangst.”
Jezus heeft net een menigte mensen toegesproken. Dat lijkt mooi, maar we weten uit de andere verhalen dat zeker niet iedereen hem ook echt zal volgen.
(Diezelfde menigte zal hem ook aan het kruis schreeuwen.) Er is blijkbaar nog een verschil tussen mooie verhaaltjes beluisteren en ‘naar de diepte gaan’.
Christen – volgeling van Jezus – word ik pas als ik G-ds Woord niet alleen beluister, maar ook diep wortel laat schieten in mijn leven;
als ik mij in die diepte durf te begeven; mij écht wagen aan G-ds avontuur met mij!

 

Lc.5,12-16 (8/1/2021)

Dit gebeurde toen hij in één van de steden [van Galilea] was:
Kijk! Er was daar een man vol melaatsheid. Toen hij Jezus zag, viel hij voor hem neer en smeekte:
“Als jij het wil, ben je in de kracht mij te reinigen!”
Jezus strekte zijn hand uit en raakte hem aan: “Ik wil: word gereinigd!”, en onmiddellijk verdween zijn melaatsheid.
Hij gebood hem het nog aan niemand te zeggen, maar zich te laten zien aan de priester
en het reinigingsoffer te brengen [in de tempel in Jeruzalem!],
zoals Mozes het geboden had [Lev.13-14], als getuigenis voor hen.
Maar eens te meer ging het gerucht over hem rond en velen kwamen samen om hem te horen en om door hem te worden geheeld van hun ziekten.
Hij echter trok zich telkens terug op eenzame plaatsen om te bidden.

In deze passage zien we duidelijk hoe het nooit Jezus’ bedoeling was mensen op te zetten tegen de wet,
en ook niet om de aandacht op zichzelf te trekken. Het gaat hem om het kenbaar maken van Góds werking
én de mensen weer contact te geven met de gemeenschap.
De man in nood (het blijken vaak díe te zijn) beseft Jezus’ kracht en doet er, met aandrang maar toch nederig, een beroep op.
Jezus komt hem ook tegemoet (“raakte hem aan”!), maar voor de volbrenging ervan verwijst hij de man wel naar de wet van Mozes
(waarvoor er wellicht een week pelgrimstocht naar Jeruzalem voor hem op zat).
Elke ‘machtige daad’ van Jezus wordt pas ‘vol’ als enerzijds de dankbaarheid aan G-d wordt bewezen,
en anderzijds het bevestigd wordt door het dagelijks leven in de gemeenschap.
Te vaak (toen en nu) wordt Jezus’ invloed in een mensenleven als een private aangelegenheid gezien.
Te vaak (toen en nu) wordt déze Jezus-boodschap niet begrepen. – Even vaak moet Jezus (en al wie in zijn spoor wil gaan)
zich in de eenzaamheid terugtrekken: níet dus voor een ‘privé-onderonsje’ met zijn Vader,
maar om ‘helder te zien’ … en door te gaan.

Lc. 5,17-26 (7/12/2020)

Eens was Jezus aan het onderrichten. Er waren farizeeën en wetsleraren gekomen
uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem. En de geestkracht tot heling was in hem.
Kijk! Er waren enkele mannen die op een draagbaar iemand droegen die verlamd was.
Ze probeerden hem binnen te dragen en onder zijn aandacht te brengen.
Maar door de menigte vonden ze geen doorgang om hem binnen te dragen.
Daarom gingen zij het dak op en lieten hem op de draagbaar neer, door de daktegels heen, vlak voor Jezus.
Bij het zien van hun vertrouwen, zegt hij tegen hem: “Je zonden zijn je vergeven.”
De schriftgeleerden en farizeeën begonnen onderling te discussiëren:
“Wie is hij wel, dat hij zo godslasterlijk spreekt? Wie kan zonden vergeven behalve God alleen?”
Maar Jezus onderkende hun redeneringen en vroeg hun: “Wat redeneer je daar in je hart? Wat is makkelijker te zeggen:
‘je zonden zijn je vergeven’ of ‘sta op en loop’? Welnu, zodat jullie zouden weten dat de mensenzoon volmacht heeft op aarde zonden te vergeven,
ik zeg je – zei hij nu tegen de verlamde: Sta op, neem je draagbaar en ga naar huis.”
En onmiddellijk stond hij voor aller ogen op, hij nam op waar hij eerst op neerlag, vertrok naar huis en verheerlijkte God.
Ontzetting beving allen en zij verheerlijkten God. Zij werden vervuld van vrees: “Vandaag hebben wij onverwachtbare dingen [paradoxen] gezien!”

Het is een bont allegaartje daar in en rond het huis – Farizeeën, wetsleraren, mannen en vrouwen, zieken en gezonden,
dragers en hij die gedragen wordt, jij en ik (?). Met z’n allen verzamelen ze zich rond Jezus.
Kijk! Er staat iets te gebeuren! Enkele vastberaden mannen mengen zich in de menigte. Een zee van mensen houdt hen niet tegen.
De liefde en bewogenheid voor hun vriend maakt hen vindingrijk. Vol vertrouwen gaan zij door.
En Jezus ziet. Hij ziet hun vertrouwen dat zich uit in daden. Daden die spreken van volhardende liefde.
Een vertrouwen dat zich geen halt laat toeroepen, door niets of niemand en tot het uiterste gaat.
Dat geloof, zo’n rotsvast vertrouwen raakt Jezus: “Bij het zien van hun vertrouwen …”.
Dat is wat er hier gebeurt: de ander dragen en je laten dragen. Dat is dus wat wij, mensen voor elkaar kúnnen doen:
vol vertrouwen elkaar dragen, je laten dragen … ook in geloof! Dan zijn er onverwachtbare, ongeziene, paradoxale dingen te zien.