Verbonden Léven

Joh. 8,31-42 (01/4/2020)

In die tijd zei Jezus tot de Joden die in hem geloofden:'Indien gij trouw blijft aan mijn woord zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken.'
Men wierp op: 'Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt gij dan zeggen: gij zult vrij worden?' Jezus antwoordde hun: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: alwie zonde doet
is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. Wie eeuwig in het huis blijft is de Zoon. Als de Zoon u vrij maakt zult gij werkelijk vrij zijn.
Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij mij te doden omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.
Zij antwoordden: 'Onze vader is Abraham!' Daarop zei Jezus hun: 'Als gij kinderen van Abraham zijt doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij mij, een mens, te doden,
terwijl ik u de waarheid heb gezegd die ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.' Zij zeiden hem: 'Wij zijn niet uit ontucht geboren. één vader hebben wij en dat is God.'
Jezus zeide hun: 'Als God uw Vader was, zoudt ge mij beminnen, want van God ben ik uitgegaan en van Godswege ben ik hier. Nee, ik ben niet uit mijzelf gekomen maar hij heeft mij gezonden.'

“De waarheid zal u vrijmaken.” Een vaak geciteerde uitspraak van Jezus. Maar wat betekent ‘waarheid’ en wat is ‘vrij zijn’? Jezus bespreekt deze thema’s met zijn toehoorders.
Een gesprek dat ook vandaag de dag nog verder gaat onder en tussen alle levensbeschouwingen.
Vrijheid als de mogelijkheid om te doen en te laten wat je wil? Een die vrijheid die ons nu in deze coronatijden is ontnomen?
Of gaat het over een vrijheid die je vrij maakt van … (allerlei bewuste en onbewust verslavingen, werkdruk, verwachtingen, alle wetten, willen, oordelen… )
om vrij te zijn voor …  (het Léven, mijn medemens, de Liefde …)?
Jezus spreekt over een diepe innerlijke vrijheid die mij wordt gegund, gegeven als ik me durf over te geven, toe te vertrouwen aan het Woord. Dat Woord dat mij attent maakt op mijn onvrijheden, mijn verwijderingen en mij de waarheid voor ogen houdt. Die waarheid die mij laat zien wat waar is, echt, Léven geeft. Dat Woord, die waarheid maakt vrij en doet Léven.
Durf ik mij in deze lock-down tijd (die mijn vrijheid drastisch beperkt) openstellen voor een waarheid die mij van binnenuit vrij maakt, doet Léven en wat doet dat met mijn zijn, mijn leven?

Joh. 8,51-59 (02/4/2020)

In die tijd zei Jezus tot de Joden: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.' Toen zeiden de Joden hem:
'Nu weten wij zeker dat gij van de duivel bezeten zijt. Want Abraham en de profeten zijn gestorven, terwijl gij beweert: Als iemand mijn woord onderhoudt zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken.
Zijt gij soms groter dan onze vader Abraham die wel gestorven is? Zelfs de profeten zijn gestorven. Voor wie houdt gij uzelf wel?' Jezus antwoordde: 'Als ik mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets;
maar mijn Vader is het die mij verheerlijkt, van wie gij zegt: Hij is onze God. Toch kent gij hem niet. Ik daarentegen ken hem en als ik zou zeggen dat ik hem niet ken zou ik aan u gelijk zijn: een leugenaar.
Maar ik ken hem en onderhoud zijn woord. Abraham, uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien: hij heeft hem gezien en zich verheugd.'
Toen zeiden de Joden tot hem: 'Gij zijt nog geen vijftig jaar en gij hebt Abraham gezien?' Jezus antwoordde hun: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: vóór Abraham werd, ben ik.'
Toen raapten zij stenen op om hem te stenigen maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

De felheid van de gesprekken neemt toe. (Herkenbaar als het zoals hier gaat over dat wat mij ten diepste raakt.)
Jezus immers durft te beweren dat wanneer je zijn Woord onderhoudt, je de dood niet zal zien. Gods woord onderhouden, is mijn leven daardoor laten uitdagen, laten bevragen.
Leven vanuit Gods Liefde. En als God werkelijk een God van leven is dan is er in Hem geen dood-of doodse dingen en dus ook niet in ons. Alleen Léven, opstaan, verrijzenis.
Dit ten volle doorleven zegt Jezus kan alleen maar omdat niet Ik de richting bepaal van mijn leven maar de Vader.
Daarbij klinkt Jezus heel overtuigd wanneer hij spreekt over wie hij is en over zijn relatie met de Vader, over zijn diepste wezen dus. Niet moeilijk dat je dan iets heftiger wordt.
Maar de Joden verstaan er niets van. Zijn relatie met de Vader gaat hen te boven. En ik? Hoe belangrijk is dit alles voor mij? En wat raakt mijn diepste wezen?
Deze meedogenloze ondervraging laat zien hoe belangrijk de kwestie was (is). Maar in plaats van tot een opbouwende, open dialoog te komen, dagen Jezus’ argumenten zijn tegenstanders meer en meer uit.
Het lukte hen duidelijk niet om zich open te stellen voor een ander perspectief. Integendeel zij raapten stenen op om naar hem te gooien.

Joh. 10,11-18 (04/5/2020)

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: “Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.
Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen,
laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling
en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij,
zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapsstal zijn.
Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder. Hierom heeft de Vader Mij lief,
omdat Ik mijn leven geef om het later weer terug te nemen. Niemand neemt Mij het af maar Ik geef het uit Mijzelf.
Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.”

 Een weide vol schapen en Jezus, de goede herder. Ze kenden en herkenden elkaar.
Het beeld van de goede herder met zijn schapen wordt in de Bijbel steeds gelinkt aan de verbondenheid met de Vader.
Maar stilstaand bij dat beeld van de goede herder enerzijds en de kudde schapen anderzijds, voelde ik me in eerste instantie weinig geappelleerd.
Het beeld van de kudde riep voor mij quasi onmiddellijk de associatie op met ‘kuddegeest’ en dus ook volgzaamheid, onvrijheid, gehoorzaamheid enz.
Allemaal houdingen waar ik moeite mee heb. Schaapachtig meedoen met anderen is niet mijn ding. Maar daardoor miste ik bijna de clou van de zaak:
het absolute vertrouwen in en toevertrouwen van de schapen aan de herder, de onvoorwaardelijke zorg en liefde van de herder, de vertrouwdheid tussen beiden,
het mekaar door en door kennen en aanvoelen zonder oordeel of verwachtingen, de onlosmakelijke verbondenheid tussen hen
die leven-gevend is en symbool staat voor de relatie tussen Jezus en zijn volgelingen, toen en nu. Een verbondenheid die inspireert om te doen waarin we geloven.

 

4de Paaszondag
Joh.10,1-10 (03/5/2020)

In die tijd zei Jezus: 'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: wie niet door de deur maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat,
hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open.
De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept de schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.
En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen omdat zij zijn stem kennen.
Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten omdat ze de stem van vreemden niet kennen.'
Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat hij hun wilde zeggen. Een andere keer zei Jezus hun:
'Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die vóór mij zijn gekomen zijn dieven en rovers,
maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door mij binnengaat zal hij worden gered;
hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen.
Ik ben gekomen opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed.'

Het lijkt mij op het eerste zicht verwarrend: Wie is nu wie? Wie is de portier en wie de deur?
Als ik dieper lees, valt mij op dat alles met elkaar verweven is en lijkt mij vooral de volgorde van belang.
In eerste instantie word ik uitgedaagd om te leven vanuit het vertrouwen dat er een Herder is. Iemand die het leven ‘herdert’.
Een Stem die mij roept en leidt. Eén die ik herken tussen alle andere stemmen die op mij afkomen.
Dit vraagt om een leven-IN-vertrouwen: niet ik maar hij leidt mij. Leven dus in verbondenheid met de Bron van alle Leven.
Daarbij komt dat er Iemand is door wie ik die Bron kan binnengaan. Iemand die mij vrij maakt. De deur om in en uit te kunnen gaan.
Uitgaan om mijn weg te zoeken en mijn mogelijkheden te leven. Uitgaan om tevoorschijn te komen zoals ik ben.
Uitgaan én terug ingaan. Ingaan om me te laven aan de Bron en werk te maken van mijn relatie met G-d.
Ingaan om gevoed en verbonden opnieuw uit te gaan en mens te worden in relatie met de anderen. Wetende dat dít leven geeft in overvloed.

 


Joh. 10,22-30 (05/5/2020)

In die tijd werd te Jeruzalem het feest van de tempelwijding gevierd.
Het was winter en Jezus hield zich op in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden kwamen in een kring om hem heen staan en zeiden tot hem: 'Hoelang houdt gij ons nog in spanning?
Als gij de Messias zijt zeg het ons dan ronduit.' Jezus gaf hun ten antwoord:
'Ik heb het u gezegd maar gij gelooft het niet. De werken die ik in naam van mijn Vader doe,
zij leggen getuigenis over mij af. Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
Mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef hun eeuwig leven;
zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van mij wegroven.
Mijn Vader immers die ze mij gegeven heeft is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven.
De Vader en ik zijn één.'

Het is winter, staat er. Alsof ze dat niet wisten. Het was immers het feest van de tempelwijding (Chanoeka). Is het dan meer dan een tijdsbepaling?
Zegt het ook iets over de ijzige sfeer die er hangt, over de gevoelstemperatuur – onder nul – tussen Jezus en die Joden die bij hem waren?
Zij komen om hem heen staan – je voelt de dreiging. Ze sluiten hem in, omsingelen hem.
De tegenstanders stellen de vragen: Hoe lang nog hou je ons in het onzekere? Wie ben je nu eigenlijk?
Maar als we eerlijk zijn weten we dat die tegenstem ook in ieder van ons aanwezig is en zijn ook wij het die aarzelen, twijfelen, zoeken en tasten.
Zullen we die tegenstem dan maar gemakkelijkheidshalve ontkennen of wegduwen? Neen! Ze is immers een deel van ons leven en ja ook van ons geloof.
Dus niet ontkennen, maar er intens naar luisteren en laten omarmen door de stem van de Herder, hij die ons ‘kent’. Hij die ons belooft,
dat niets in de hele wereld ons kan scheiden van de liefde van God. Het wordt ons toegezegd, niemand kan ons uit de hand van de Vader roven.
Aan ons om dit te geloven en te leven.

Joh.10,31-38(03/04/2020)

In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: 'Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht die uit de Vader voortkomen;
om welk van die werken wilt gij mij stenigen?' De Joden gaven hem ten antwoord: 'Niet om een goed werk stenigen wij u maar om een godslastering: dat gij, een mens, uzelf tot God maakt.'
Jezus antwoordde hun: 'Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd goden genoemd; en de Schrift heeft bindende kracht.
Maar waarom beschuldigt ge mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als ik mijzelf Gods Zoon noem? Als ik de werken van mijn Vader niet doe
behoeft ge mij niet te geloven, maar zo ik ze wél doe gelooft dan die werken als ge mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in mij is en ik in de Vader ben.'


De discussies, twistgesprekken volgen elkaar in sneltreinvaart op. Het lijkt wel een machtsstrijd, met aan de ene kant de Joden en in hun handen de Wet en stenen.
Aan de andere kant van het strijdtoneel staat Jezus, met in zijn hand God en de goede werken. Voor de Joden wordt het moeilijk te verteren wanneer ze bevochten worden met eigen wapens nl de Wet.
Deze zegt immers: ‘Ik heb gezegd: gij zijt goden.’ Hier wordt hun aanklacht gewoon weggeveegd want Jezus en ook zij, net als jij en ik, zijn volgens de wet goden.
Waarom zou Jezus zich dan niet zoon van God mogen noemen?
Maar wat voor goden zullen we zijn? Een god die met Wet en stenen zwaait? Een god van bezit, van macht of aanzien? Of eerder een god die zich laat raken door mensen, door de meest kwetsbare het eerst.
Een god die nabij is, in wiens Naam ik goede werken mag doen?
Welke god zal het halen in jou?
Een god die overtuigd is van eigen gelijk, die de maakbaarheid van het leven verkondigt en het zo in eigen hand neemt. Een god van wraak en stenen. Eén die wonden slaat.
Of een god als Bron van alle Leven, om je aan toe te vertrouwen. Een god van Liefde en trouw, die nabij blijft en wonden heelt?