Verbonden Léven

Joh. 3,31-36 (23/4/2020)

 In die tijd zei Jezus tot Nikodemus:
“Wie van boven komt, staat boven allen. Wie van de aarde is, behoort tot de aarde en spreekt de taal van de aarde.
Wie uit de hemel komt en boven allen staat, legt getuigenis af van wat Hij zag en hoorde, maar toch aanvaardt niemand zijn getuigenis.
Wie zijn getuigenis wel aanvaardt, bezegelt daarmee dat God waarachtig is. Want Hij die door God gezonden is, spreekt Gods eigen woorden.
Zo mateloos schenkt God zijn Geest. De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven.
Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwig leven. Wie weigert in de Zoon te geloven, zal het leven niet zien, integendeel, de toorn Gods blijft op hem.”

Anders dan het lectionarium in z’n openingszin vermeldt, is dit stuk tekst niet uitgesproken door Jezus tegen Nikodemus. (Lees ev. de hele passage even na in je Bijbel.)
Na dat gesprek is Jezus met zijn leerlingen naar Judea gegaan, waar ze opnieuw in de buurt van Johannes de Doper komen die daar ook actief is.
Johannes’ leerlingen zien het een beetje met argusogen aan dat er heel wat volk naar Jezus gaat i.p.v. naar hen. Precies hierop geeft Johannes het getuigenis
zoals het vandaag beschreven wordt. Het is de uitwerking van de woorden die we van hem kennen: “Ik ben de Messias níet. Jezus moet groter worden, ik kleiner.”
Maar het getuigenis van Johannes is inderdaad wel degelijk hetzelfde als dat wat Jezus in het stukje Evangelie gisteren tegen Nikodemus geeft: Jezus is de gezondene van God;
hij is de verbinding tussen de hemel en de aarde; een verbinding die een liefdesband is en leven geeft aan wie zich ook in die band laat opnemen door te geloven in Jezus.
Nikodemus voelde wel dat er met Jezus iets bijzonders was, maar had er toch moeite mee zich eraan over te geven. Johannes, hoezeer hij ook zelf succes had,
ziet het helemaal en schrikt er ook niet voor terug dat openlijk te getuigen.
En dan is er natuurlijk de vraag wat ík ermee zal doen …
Mijn Jezus,
open mijn durf – dat ik geloof
leg vertrouwen onder mijn leven – dat ik hoop
en laat mij bovenal overstromen van liefde – voor Jou!


Joh.3,14-21 (14/3/2021) 

Zoals Mozes in de woestijn de slang heeft omhoog geheven, zo moet de mensenzoon omhoog worden geheven [op het kruis],
opdat al wie vertrouwende ín hem is, niet verloren gaat, maar het volle leven heeft.
Want zó lief heeft God de wereld, dat hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven,
opdat al wie vertrouwende ín hem is, niet verloren gaat, maar het volle leven heeft.
Want God heeft zijn zoon niet in de wereld gezonden om die wereld te vonnissen, maar opdat ze door hem zou worden bevrijd.
Wie vertrouwend ín hem is, wordt niet gevonnist, maar wie niet vertrouwt, is al gevonnist,
omdat hij niet heeft vertrouwd in de naam van de eniggeboren zoon van God.
En dit is het vonnis: Het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen hadden de duisternis meer lief dan het licht,
want hun daden zijn slecht [= zich van God en mens verwijderend]. Want ieder die kwaad doet, haat het licht;
hij vermijdt het licht zodat zijn daden niet aan de dag komen. Maar wie waarheid doet, zoekt het licht op,
zodat openbaar wordt dat zijn daden in God zijn verricht.

Een kruis als symbool van hoop en leven én een G-d die ons, mensen, oneindig graag ziet; hoe kan je dit te midden van onze maatschappij (be)leven? Heel de maatschappij wijst immers de andere kant uit. Alle lijden wordt geweerd en perfectie (fysiek en economisch) is het streefdoel geworden. Mensen graag zien kan nog net, maar alleen als jij er zelf beter van wordt. Nochtans is het juist dát waarover het hier gaat.
Over die G-d – de behoeder van het leven in al zijn kwetsbaarheid – die zijn enig kind (zichzelf) aan ons geeft. Over zijn oneindige Liefde!
En over een mens die ons gegeven wordt. Een mens die zichzelf geeft, zijn leven breekt en deelt (tot op het kruis) en aanbiedt om met ons in het lijden te gaan staan, het mee te dragen. Die mens is tot levende getuigenis geworden van een G-d die doordrongen is van compassie en mededogen. Een G-dmens die garant staat dat het kan omdat hij zich gegeven heeft, zich heeft toegewijd.
Zo is het te (be)leven ook vandaag: adem, bewonder, ontvang, geniet van al wat je onverwacht en onverdiend wordt gegeven. Leef vol vertrouwen vanuit zijn liefde. Dan zullen je daden spreken van G-d of beter dan zal G-d tot spreken komen doorheen je daden. Dan zal leven sterker zijn dan dood.

 

Joh. 3,16-21 (22/4/2020)

In die tijd zei Jezus tot Nikodemus: 'Zozeer heeft God de wereld liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat alwie in hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden
om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door hem zou worden gered. Wie in hem gelooft wordt niet geoordeeld,
maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods. Hierin bestaat het oordeel:
het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren.
Ieder die slecht handelt heeft afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden.
Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.'

Het valt mij op hoe positief de Evangeliewoorden vandaag klinken. Het gaat over liefhebben, geven, redden, licht. Dit is werkelijk ‘blijde boodschap’ ten top.
Maar als je deze boodschap goed leest, dan zie je dat de boodschap geen ‘tekst’ is, maar een concreet iemand: Jezus zelf! Dít is de blijde boodschap:
dat God de wereld (de mensen) zó graag ziet dat hij zijn zoon – zichzelf – geeft. En dat brengt redding en licht. Uit zichzelf dwalen de mensen rond in duisternis;
hoe bekoorlijk lijkt de duisternis (en al onze ‘duistere werken’) niet te zijn!
Ik was eigenlijk ontroerd door die massieve golf van liefde waarmee God ons – mij – wíl overkomen.
Maar tegelijk met de ontroering overspoelde mij ook de vraag: en ik? Kan ik de wereld zó liefhebben? Kan ik mezelf geven aan de heel concrete mens naast mij,
ook met zijn of haar duistere kantjes? Kan ik ‘niet oordelen’ en alleen maar licht en liefde zijn?
Als God mij en jou(!) ermee overstroomt, dan zijn we misschien al een eindje onderweg om het te laten doorstromen naar de mensen naast ons?

Joh.3,22-30 (9/1/2021)

Hierna [na het gesprek met Nicodemus in Jeruzalem] ging Jezus met zijn leerlingen naar de landstreek van Judea.
Hij verbleef daar enige tijd met hen en doopte er. Maar ook Johannes doopte er, in Enan, dicht bij Salem, omdat daar veel water was.
Men kwam en werd gedoopt, want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.
Er ontstond een discussie vanuit de leerlingen van Johannes met een Jood over reiniging. Ze kwamen naar Johannes:
“Meester, diegene die bij jou was aan de overzijde van de Jordaan, over wie je toen getuigde, kijk, nu doopt hij en allen gaan naar hem!”
Johannes antwoordde: “Geen mens kan zich ook maar iets toe-eigenen als het hem niet gegeven wordt uit de hemel.
Jullie zijn zelf mijn getuigen dat ik heb gezegd: Niet ik ben de gezalfde [christos-messiah], maar ik ben gezonden voor hem uit.
Wie de bruid heeft, is de bruidegom. Maar de vriend van de bruidegom, die naast hem staat en zijn stem hoort, is vol vreugde om de bruidegom.
Welnu, met deze vreugde ben ik vervuld.
Hij moet groter worden, ik kleiner.”

Hoe mooi is dat, vriend van de bruidegom te mogen zijn! Zijn stem te horen, dicht in zijn nabijheid mogen zijn,
‘op de eerste rij’ in het feestgedruis, … en voorál: zijn vreugde voelen! Blij zijn om zíjn blijheid,
vervulling voelen om zíjn vervulling, feeststemming om zíjn feeststemming.
Hoe mooi is dat … Wellicht beamen we dat wel, maar dóen we het ook? Kúnnen we dat ook?
Want uiteindelijk is het toch een ‘tweede plaats’, een verborgen plaats. Meer nog: Het ‘werkt’ zelfs maar als wij ook voluit
die verborgen plaats innemen: niet wíllen op de voorgrond komen en enkel de weg bereiden voor de ánder!
Vanuit het verhaal van Johannes de doper zouden we onszelf nu kunnen in zijn plaats stellen: onszelf zien als de vriend van de bruidegom Jezus.
Het zou zeer terecht zijn! De hele spiritualiteitsgeschiedenis (en uitdrukkelijk nog die van de mystiek) doet dat!
Maar éven terecht zou het zijn – getuige daarvan het leven van Jezus zelf – élk-ander op die plaats van de bruidegom te stellen!
Dan zal híj/zíj groter worden! (en ik kleiner, ja, maar is dat erg?)

Joh.4,43-54 (15/3/2021)

Na die twee dagen vertrok hij vandaar [na de arrestatie van Johannes de doper, trok hij weg uit Judea,
met een oponthoud in Samaria] en ging naar Galilea, hoewel hij zelf had betuigd dat een profeet
niet wordt geëerd in zijn eigen geboortestreek. [Mc.6,4] Toen hij aankwam in Galilea werd hij er toch verwelkomd,
want ze hadden alles gezien wat hij in Jeruzalem op het [Paas]feest had gedaan – ook zij waren op het feest.
Jezus kwam dus weer in Kana van Galilea, waar hij het water tot wijn had gemaakt.
Er was een koninklijke beambte, wiens zoon ziek lag in Kafarnaüm. Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen,
ging hij naar hem toe [Kafarnaüm – Kana = ca. 26km] en vroeg hem met aandrang naar zijn huis te komen om zijn zoon te genezen die stervende was. Jezus zei tegen hem: “Jullie geloven alleen maar als jullie tekenen en wonderen zien!” Maar de hofbeambte drong aan: “Heer, kom toch, voor mijn kindje sterft!” “Ga maar, zei Jezus, je zoon leeft.” En de man vertrouwde het woord van Jezus en ging naar huis.
Terwijl hij nog onderweg was, kwamen knechten van hem tegemoet en verkondigden: “Je kind leeft!”
Hij vroeg hen onmiddellijk naar het uur waarop de beterschap begon. Ze zeiden: “Gisteren, op het zevende uur [= 1 u ’s middags] werd hij vrij van de koorts.”
Nu (h)erkende de vader: “Dat is het uur waarop Jezus zei: Je zoon leeft.” En hijzelf en zijn hele huis kwamen tot vertrouwen.
Dit was het tweede teken dat Jezus daar weer deed, toen hij van Judea naar Galilea kwam.

Terwijl Jezus in Galilea (zijn geboortestreek) verblijft, komt er een hofbeambte in al zijn wanhoop naar hem toe en spreekt hem aan. Het enige wat Jezus doet is hem verwijtend antwoorden: “Jullie geloof is alleen maar gericht op het zien van wonderen en niet op G-d”
Maar de hofbeambte laat niet af. Hij gelooft, vertrouwt en weigert zich neer te leggen bij het sterven van zijn kind, bij niet-leven. Hij dringt aan in het vertrouwen dat Jezus een G-dmens is en zijn Woord uiteindelijk alles overwint, heelt, geneest en doet Léven. (als dit geen prachtig staaltje van geloof is!)
“Heer,” zegt hij. Hij beseft maar al te goed wat hij daarmee zegt. Hij, dienaar van de koning, weet wie Heer is en wie niet. Wachtte Jezus hierop? De hoveling die Jezus (h)erkent als G-dmens, als ‘Heer’? Het getuigt van een G-dgericht leven, een geloof dat voorbij tekenen en wonderen reikt.
Die erkenning zet Jezus in beweging, in alle eenvoud, geen ‘misbaar’, geen ‘omhaal van woorden’, maar enkel dat ene woord ‘Ga-maar!’ Vol vertrouwen gaat de man en mag zo die kleine goedheid ervaren die een wereld van verschil – van niet-leven, naar leven – maakt.

 

Joh.5,1-3a.5-16 (16/3/2021)

Later was er een feest van de Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem.
In Jeruzalem nu, bij de Schaapspoort, is er een vijver, die in het Hebreeuws Betesda/Bethzatha genoemd wordt,
en vijf zuilengangen heeft. In die gangen lag altijd een groot aantal zieken, verlamden en verdorden.
(Ze hoopten dat het water in beweging kwam, want soms daalde een engel neer in de vijver en bracht het water in beroering.
Wie dan als eerste in het water afdaalde, werd gezond, welke kwaal hij ook had.)
Er was daar ook iemand die al achtendertig jaar ziek was. Jezus zag hem liggen en wetende dat hij daar al lang lag,
vroeg hij hem: “Is het je bedoeling gezond te worden?”
De zieke antwoordde hem: “Heer, ik heb geen mens die mij, wanneer het water in beroering komt, mij in de vijver helpt,
en terwijl ik het zelf probeer, daalt een ander vóór mij erin af.”
Jezus zei tegen hem: “Ontwaak! Neem je draagbaar en wandel!” Onmiddellijk werd hij gezond, nam zijn draagbaar en wandelde rond. Die dag was een sabbat.
Daarom zeiden de Joden tot de genezene: “Het is sabbat. Het is je niet geoorloofd je draagbaar op te nemen.”
Hij antwoordde hun: “Degene die mij gezond heeft gemaakt, híj heeft mij gezegd: neem je draagbaar en wandel.”
Ze vroegen hem dus: “Wie is die mens, die jou gezegd heeft ‘neem je draagbaar en wandel’?” Maar de genezene wist niet wie het was. Jezus had zich ondertussen teruggetrokken in de menigte.
Later vond Jezus hem in de tempel en zei hem: “Kijk! Je bent nu gezond geworden.
Zondig [verwijder] je niet meer opdat er je niets ergers overkomt.”
De genezene ging weg en berichtte aan de Joden dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.
Hierom begonnen de Joden Jezus te (ver)volgen en zochten ze hem te doden,
omdat hij zo’n dingen deed op sabbat.

De verlamde man intrigeert mij. Achtendertig jaar lang wacht hij op de beroering van het water. Hij ondergaat zijn lot, ligt en wacht. Nochtans kan niemand hem verwijten passief te zijn. Er is niemand die hem wil optillen. Hoe veilig kan het zijn om lijdzaam toe te zien en niet te moeten bewegen?
Maar dan komt Jezus in Betesda. Hij ziet hem, spreekt hem aan en vraagt of hij wil genezen. Zijn antwoord is al even fascinerend als de man zelf. Eigenlijk geeft hij helemaal geen (rechtstreeks) antwoord op Jezus’ vraag. Wat als hij ja zegt? Stel dat Jezus hem geneest, dan moet hij zijn vertrouwde plek (zekerheid) verlaten. Die plek waarop hij al jaren gelegen heeft. Onzekerheid troef! Dus geen hoopvol ja, maar wel een klaagzang over de anderen. Het enige waartoe hij in staat is, is kijken naar het leven van al die anderen (die het zoveel beter hebben dan hij) om zich dan te beklagen: ‘ik ben het slachtoffer van het leven.’
En als hij genezen is, is het enige wat hij doet, zijn bed opnemen en doodleuk wegwandelen. Eén en al middelmatigheid en onverschilligheid. Wat als dit blijft duren, als je eraan toegeeft, je wentelt in de slachtofferrol? Dan raak je eraan verknocht, en dat is zonde!